Joost van den Vondel (1587-1679)

XIIe HARPZANG.

A. 1656

Usque Domine.

Hoe lang vergeet Ge mij zoo straf,
En zet me, o God! uit Uw gedachten?
Hoe lange keert Ge, op mijne klachten,
Uw heilzaam aanschijn van mij af?

Hoe lang, o God! zal ik, verstrooid
Van zinnen, treuren dus elendig?
Hoe lang zal druk mijn hart inwendig
Doorgaans dus knagen, meer dan ooit?

Hoe lange zal mijn vijand mij
Dus trappen, trotsen, en braveeren?
Och! wil Uwe oogen herwaart keeren!
Verhoor mijn bede! ik leg in hij.

Verlicht mijne oogen en gezicht,
Eer ik ze luike en t licht outbere,
Dat niet mijn vijand triomfeere,
En stoffe: ik won t hem af: hij zwicht!

Al mijn verdrukkers juichen blij,
Zoo ras ik wankele ten kwade:
Doch k heb mijn hoop op Uw genade
Alleen gebouwd, die handhaaft mij.

Mijn hart springt op, als Gij mij redt.
Ik wil U loven met gezangen,
Voor zon veel deugd, van U ontvangen.
k Heb op mijn harp een wijs gezet.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001