Joost van den Vondel (1587-1679)

XIVe HARPZANG.

A. 1656

Domine, quis habitat.

Wien gunt ge, o Godheid! te verschijnen
Voor t hooge Koor, daar Cherubijnen
De Bondkist dekken met haar schacht?
Wien zal t gebeuren, dag en nacht,
Op uwen heilgen berg te rusten,
Het liefste, dat een hart mag lusten?

Die, niet besmet in zijnen wandel,
En gansch rechtvaardig in zijn handel,
De voeten in Gods schaduw zet,
De klare waarheid spreekt, die met
Zijn harte stemt, en, zonder liegen,
Zijn tong kan spenen van bedriegen;

Die, om des naastens heil te stutten,
Zijn schade en schipbreuk poogt te schutten,
Zijne ooren stopt voor t lasterwoord,
Dat hij tot s anders nadeel hoort,
Veracht dat ongebonden wezen,
En looft ze, die Gods strengheid vreezen;

Die geene onwaarheid stout beedigt,
Noch niemand door bedrog beleedigt,
Noch s armen vleesch en bloedig zweet
Met woekerende tanden eet,
En nooit s onnoozlen recht wo krenken,
Bekoord door gaven en geschenken.

Wie dus kan leven, zonder erg,
Zal eeuwig rusten op Gods berg.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001