Joost van den Vondel (1587-1679)

XVe HARPZANG.

A. 1656

Conserva me, Domine.

Behoeder van uwe uitgeleze troepen!
Beho me voor t genakende gevaar;
Want ik niet ruste, in nood U aan te roepen,
Waarop mijn hoop, als op een troostpilaar,
Gebouwd is. k Heb uw Godheid aangehangen,
Die, rijk van heil, van mij niet hoeft t ontvangen.

Dit s d oorzaak, dat ik d uitgekore zonen,
Uw heilig volk, in t lang beloofde land,
Hun errefdeel, de hand bood, waar ze wonen,
En holp ze aan rust, en in een vasten stand.
Gij zelf getuigt, hoe ik voor Uw genooten
In t openbaar mijn hart heb uitgegoten.

Maar toen ze nu verzwakten in hun ijver,
Verlieten ze U, hun toeverlaat en lot.
Afgoderij wint veld door haren drijver.
Elk volgt zijn droom, en dient zijn eigen God,
Totdat ze in t eind en spade naar hem spoeden,
God kennen voor den oorsprong aller goeden.

Ik wil geensins, ten smaad van uw geboden,
Den offerdisch des Afgod iets beklen,
Mijn lippen aan den bloedkelk van zijn Goden
Noch offerbloed besmetten; neen, o neen,
Ik wil geensina die gruwelen verbloemen,
Noch binnen naam gewaardigen te noemen.

k Verwacht van God mijn erflot na dit strijden;
De rijke loon des kelks van mijn verdriet
En zwarighen en overbitter lijden,
Verwacht ik van het oog, dat alles ziet.
Gij zult me, o Heer! en niemand zal t beletten,
In t wettig erf, mij toebeschoren, zetten.

Het beste lot is mij ten deel gevallen,
Mijn erfdeel munt in alle loten uit;
Dies loof ik md, wiens gunst mij boven allen
Gezegend heeft. Hij stoof mijn raadsbesluit
Met kennisse en verstand, om recht te mikken,
En t hoogste lot voorzichtig uit te pikken.

Hij prikkelde mijn hart en mijn gedachten
Inwendig, sp, tot midden in den nacht;
k Had Hem alleen voor oogen, ouder t wachten
Op Zijn genade en goedheid; want Zijn macht
Mij handhaafde, opdat ramp noch ongelukken
Gods dienaar van zijn wacht en schildwacht rukken.

Dit s d oorzaak, dat de blijschap in mijn harte
Niet schuilen kan, maar uitberst op de tong,
Die huppelt na het uitstaan van de smarte;
En schoon de dood mijn sterfelijkheid. besprong,
Mijn lichaam zal geen worm in d aarde spijzen,
Maar sluimeren met hope van verrijzen:

Want Gij, o God t zult nimmermeer gedoogen,
Dat mijne ziel in Helsche duisternis
Gedompeld blijf, noch t lichaam, uit elks oogen
In t graf verrott; het lichaam, dat U is
Geheiligd, zal noch kan, na t bitter sterven,
Geensins vergaan, verrotten, noch bederven.

Gij leert me klaar de haan des levens kennen,
De baan naar God, en Gods onsterflijkheid;
Bestraal me met Uw blijschap, onder t rennen,
Die nerstraalt van Uw aanschijns Majesteit.
Uw rechte hand begaaft, na deze elende,
Den hopenden met blijschap, zonder oude.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001