Joost van den Vondel (1587-1679)

XVIIe HARPZANG.

A. 1656

Dilligam te, Domine.

Alvonde God, en Heer van alle Heeren!
U wil ik al mijn leven dienen, eeren,
En minnen; want gij zijt mijn kracht en borg,
Mijn toevlucht, mijn verlosser, troost, en zorg.
Ik zal op God, als op mijn noodhulp, hopen.
Mijn Schutsheer t als de stormers op mij loopen,
Dan keer ik hen op U, mijn horen! af,
Die mij verlost, bevrijdt en hoedt voor straf;
Dies wil ik U aanbidden, eeren, loven,
Zoo raak ik al mijn vijanden te boven.
    De strikken van d afgrijselijke dood
Belaagden mij; de Helsche boosheid schoot,
Gelijk een stroom en waterval van sluizen,
Ter rotse af, naar de laagte ner komt bruisen,
Met kracht op mij, die, teder en ontsteld,
Niet opmocht, noch kon staan voor dit geweld.
De rampen van d afgrijselijke Helle
Belaagden mij, vervarelijk en felle.
De strikken van d afgrijselijke dood
Verrasten mij, die aankwam naakt en bloot.
    In zulk een angst, bestormd van s vijands troepen,
Begon ik God, mijn noodhulp, aan te roepen,
Ik riep Hem aan, zoo luid men roepen kon;
Mijn noodklacht drong, door t zwerk en boven zon,
Dan hemel in, en klonk in t Koor der Koren,
Gods Heiligdom, in Zijn scherpluistrende ooren.
Mijn jammerklacht drong door, van boog in boog,
Daar God zich zette in zijnen troon omhoog.
    Op t schudden van Gods hoofd in t ander leven,
Begon al d aarde in t ronde bang te beven,
Te schudden, en te siddren uit ontzag,
De grondvest van t gebergte, shag op slag,
Te dreunen en te davren, tot een teeken
Dat d Opperste vergramd was ee ontsteken
Op d aarde omlaag, en t steigende gebergt,
Om t snoode volk, dat God door boosheid tergt.
    Hij snoof een rook ten neuze uit in t vergrammen.
Zijn aangezicht ontstak en stond in vlammen,
En in een brand van kolen, rood van gloed.
Dus zette hij verbolgen zijnen voet
In een karos van wolken, om te dalen
Van boven ner uit zijne gonde zalen.
Een nevel zweefde om Zijne voeten heen,
En schaduwde zijn goddelijke tren.
De Cherubijns, terwijl hij zat geklommen,
Zoo hoog in top, voor zijnen wagen glommen.
    Hij vloog en voer verbolgen en gezwind;
Hij zweefde en vloog op vleugels van den wind,
Gespannen in t gareel voor Zijnen wagen.
Hij school bedekt in duisternisse en vlagen.
t Gehemelt van Zijn wagen, als Hij rent,
Is eene wolk, een waterwolk Zijn tent.
Een donkre wolk bedekt Hem onder t varen.
Voor Zijnen glans en schrikkelijk aanzicht, baren
En bersten wolk en dichten nevel uit,
Met bliksemen en hagel en geluid
    Van donderslag en wederlicht naar onder.
De Oudheid laat zich hooren in den donder,
Van boven uit den hemel en de lucht.
De Hoogste laat zich hooren in t gerucht
Van hagelsteen, in wederlicht en vonken.
De bliksemstraal wordt naar benen geklonken,
Gelijk een pijl, niet d allersterkste hand.
Aldus verstrooit hij over t gansche land
Zijn vijanden, en werlicht op de bergen,
En schrikt ze met zijn onwer, die hem tergen;
Dan openbaart zich d oorsprong van de bron
En ader, daar geen oogstraal zinken kon.
Wij zien den grond des aardboms met onze oogen,
Wanneer Ge, o God, o Almacht! uit den hoogen
Het element begraauwt, en snel verbaasd
En bulderende een bui van gramschap blaast.
    Hij reikte mij de band in dees gevaren,
En redde en trok me uit grondelooze baren
En wateren en diepten, daar ik zonk.
Hij redde mij hij tijds, eer ik verdronk,
Uit s vijands macht; Gods dienaar, al te machtig,
Ontsloeg me van mijn haters, die te krachtig
Braveerden met een uitgelate ziel,
Toen ik te zwak en onvermogend viel.
    Zij randden mij in t bitterst van mijn lijden
Baldadig aan; de Hoogste hulp me strijden,
En zette mij op t vrije en vlakke veld,
In veiligheid en d eerste rust hersteld,
Naar s Hemels wil en opperste behagen,
Uit liefde en gunst, zijn dienaar toegedragen.
    De Hemel, die een billijk oordeel velt,
Naar elke verdienste, en goed en kwaad vergeldt,
Zal mij gewis vergelden naar mijn werken,
Geregeld na de voorgeschreve perken
Van Zijne Wet; dewijl ik mijne ziel
En hart en hand van smette zuiver hiel;
Dewijl ik paste aandachtelijk te treden
Op t zuiver spoor van Zijne Wet en zeden,
En niets bestond, dat naar godloosheid helt,
Bespieglende Zijn wil, mij voorgesteld,
Zijn rechten uit liet schijnen in mijn handel,
Gants smetteloos hem diende in woord en wandel,
En speende mij van onrecht en het kwaad,
De Heer wil mij betoonen naar mijn daad,
En mij met recht vergelden naar mijn werken,
Geregeld naar de voorgeschreven perken
Van Zijnd wet; dewijl ik mijne ziel
En hart en hand van smetten zuiver bid,
En wandelde, als voor d alaanschouwende oogen,
Door mommerij noch veinzerij bedrogen.
    Wie heiliglijk zich regelt naar Uw wet,
Dien handelt Gij ook heilig, zonder smet.
Wie niemand kwetst, beleedigt, noch beschadigt,
Die wordt van God verschoond en trouw verdadigd.
Den zuivren en eenvoudigen ontmoet
Gij zuiver en oprecht; werspannig bloed,
Den schalken en bedriegren en verkeerden,
Verleert Gij al de treken, die zij leerden.
Wie zich verkeerd bij zijnen naasten droeg,
Betaalt Gij met de munte, die hij sloeg;
Want Gij verheft ootmoedigen en blooden,
Behoudt ze en redt ze uit hun gevaar en nooden,
Vernert ze die hovaardig henegaan,
En stout hun oog en wimbraauw opwaart slaan.
    Gij onderhoudt mijn licht in aardsche rampen.
O God! volhard, in duisternisse en rampen
En jammer, mij te lichten met Uw licht.
Voor Uwe kracht, die voor geen heeren zwicht,
Geen lokaas van bekoringen kan duren.
Ik spring, met God, ook over s vijands muren.
    De wegen van den Allerhoogsten zijn
Geensius besmet met valschen glimp en schijn.
Zijn zet-rede is zon zuiver, en te loven,
Als louter goud, gelouterd in den oven,
En Hij beschut, als met een beukelaar,
Wie Hem betrouwt in t barnen van gevaar;
Want waar is toch, o afgodiste blinden!
Waar is een God behalve Hem te vinden,
Die boven heerscht in t onverwonnen slot?
Waar is een God zou groot, als Jacobs God?
    Dezelve God omgordde mij rechtschapen
Met macht en moed, als met een scheutvrij wapen,
En onderhiel mijn leven, zonder vlek
Van lasteren en lasterlijk gebrek.
Hij sterkte in nood en zorgelijke smarten
De zenuw van mijn beesten, snel als harten,
En hulp ma snel opsteigren berg en rots,
Mijn vijand en vervolgeren ten trots.
Hij steef mijn hand en zenuwen in t vechten,
En gaf mijn arm, om wonder uit te rechten,
Een kracht, zoo sterk als een metalen boog,
Handhaafde mij geweldig van omhoog,
Met Zijne hand en Goddelijk vermogen,
Waardoor ik ben zoo hoog in top getogen,
    Uw tocht beschaaft al mijne oneffenhen.
Uw scherpe tocht besnoeit mijn hart alleen.
Gij wakken en bestiert mijn forsche treden,
Zoodat ze niet bezwijken in hun schreden.
Ik zit met kracht mijn haters op den hiel,
En grijp ze, en keer niet ter ik hen verniel.
k Verplet hun heer, hier baat geen tegenwroeten,
Zij sneuvelen en storten voor mij me voeten.
Gij gordt mij met standvastigheid en moed,
En zet bedekt mijn vijanden den voet,
Zoodat ze, in t zand gestruikeld, deerlijk zuchten,
Alle andren mij den rugge hun, en vluchten,
Verstrooid op t veld, al wat mij vloekt en haat.
Zij riepen God toen aan in droeven staat;
Maar God ontzet hun noodklacht aan te hooren,
Noch holp ze niet, noch had hiertoe geene ooren.
k Zal t overschot verpletteren, als stof
Voor wind verstuift. Ik zal het godloos hof,
Als slijk op straat, nog vegen uit elke oogen.
Gij zult me voor s volks laster, uit medoogen,
Verdadigen, en stellen te gelijk
Op mijnen troon, ten Vorst, tot hoofd van t Rijk.
Het Heidendom en d onbesnede bende,
Een volk, dat ik voor d onzen nimmer kende,
Heeft mij gediend, en hoorende uit de faam
Mijn opgang, heeft mijn uitgebreiden naam
Ontzien, en voort mijn wetten aangenomen:
Mijn zonen, de voorheen godvruchte vromen,
Verloochenden, van s Hemels wet vervremd,
Mijn naam en wet, dus lang bij hen bestemd:
Mijn zonen, dus vervreemd en aan t verbastren,
Ontzien zich niet mijn naam en wet te lastren,
En hinken, al bezoedeld en besmet,
Op t rechte spoor der aangenome wet.
Nog leeft mijn God, gezegend en te prijzen,
k Zal d oorzaak van mijn heil op mijne wijzen
En snarespel verheffen, als mijn stut,
De Godheid, die mij voorstaat en beschut,
De volken leert voor mijnen schepter knielen,
Den Heiland, die voor t schenden en vernielen
Der hateren mij handhaaft en beschermt,
En uit gen zich over mij ontfermt.
Gij zult me, o God! verheffen, als Uw eigen,
Ten trots van al die Uw gezalfden dreigen,
En mij ontslaan van onrecht en geweld;
Dan zal mijn keel en harp, op maat gesteld,
Uw grooten naam, in t midden van de volken,
Verheffen aan den hemel en de wolken.
Gij zegent en verheerlijkt Jesses zoon,
Den Koning, Uw gezalfden, op den troon
Door Uw genade, en levert stof tot zingen
Aan David en zijn erfnakomelingen,
Eeuw in, eeuw uit, bevestigd en bekend,
Zoo lang de zon om s werelds ronde rent.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001