Joost van den Vondel (1587-1679)

XVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Coeli enarrant gloriam.

I.

De hemelen ontvouwen
Gods eer en heerlijkheid;
De hemelsche gebouwen
Gods macht en majesteit
Elk melden in zijn werken,
Elk roepen te gemoet:
O, menschen leert hier merken
Dat d Almacht, wijs en goed,
Verborgen voor uwe oogen,
Zich zichtbaar openbaart,
U optrekt hemelwaart
Naar zijn starlichte bogen.

Dit wordt u aangewezen,
Verkondigd dag op dag.
Dit wordt u aangeprezen,
Van nacht tot nacht, als t plag.
Men kent geen tong, noch talen,
Noch volk, daar t hoog gesticht
Dit nalaat te verhalen,
Verstomd in zijnen plicht.
Dees stem klinkt door al d aarde,
Alom befaamd, bekend;
Dit klinkt aan s werelds end,
Waar t licht de lucht verklaarde.

De Godheid stelde boven
Het allerschoonste schoon,
De zon, in t opgeschoven
Rijk pauweljoen, zijn troon:
Daar komt zij, aangenamer
Dan eenig bruidegom,
Uit Zijne bruiloftskamer,
Met glans te voorschijn, om,
Gelijk een bergreus, rustig
Te rennen op haar baan,
Uit d Oostkim Westwaart aan,
Heel onvermoeid en lustig.

Zij loopt haar baan ten ende.
Men vindt noch volk, noch rijk,
Dat niet haar klaarheid kende,
Haar hitte te gelijk
Niet voelde, of kon ontduiken:

II.

Nog zet dit wonderwerk,
Voor die Gods Wet gebruiken,
Geen goddelijker merk
Als s Hemels wil en waarheid,
Zoo zuiver en zoo net
Verkondigd in zijn wet,
Die nerstraalt uit Gods klaarheid.

Zij kan de lusten toomen,
Herscheppen hart en geest;
Zij tuigt getrouw den vromen,
Hoe God wil zijn gevreesd.
Zij koestert zuigelingen
Met wijsheid, als met melk.
Gods recht en regel dwingen
Tot recht en reeglen elk;
Verheugen het geweten.
Gods tafelwet is klaar,
En licht ze toe, die naar
In schaduw zijn gezeten.

Gods wet leert ieder veilig
Hem vreezen, en Zijn rot;
Een vrees, die, nut en heilig,
Ons loont en kroont, nooit mo
Van zeegnen en vergelden,
Alle eeuwen in en uit.
Gods wil en wetten velden
Nooit vonnis, noch besluit,
Dat valsch was, maar eenaardig
Met Gods natuur en God,
Bewijst, dat zijn gebed
Oprecht is en rechtvaardig.

Geen goud, geene eedle steenen
Zijn zoo bekorelijk,
Wat stralen uit hun schenen,
Als Gods geboden, rijk
En dierbaar uit hun wezen.
De honig in den mond,
En raten, uitgelezen
Op eenen morgenstond,
Den smaak zou niet bejeegnen;
Uw dienaar slaat ze g,
En spoort in t gaslaan na,
Hoe rijklijk zij hem zeegnen.

Maar wie kan Zijne feilen
Begrijpen? Wat vernuft
Kan s harten Afgrond peilen,
Zoo t brein des menschen suft?
O, Hartekenner! reinig
Mijn onbekend gebrek,
Hetzij dan groot of weinig,
Beho me voor de vlek
Van vreemde en onbesneden,
En hun genootschap toch,
Vol dwalinge en bedrog,
En strijdig tegens reden.

Zoo lang ze op mij niet winnen,
Ik hen noch volg, noch hoor,
Blijft mijn gemoed van binnen
Gezuiverd, na als voor.
Ik wisch hun lasterplagen
Zorgvuldig af van mij.
Mijn spraak zal U behagen,
En mijn bespiegling, vrij
Van scheemren, U gevallen,
Mijn noodhulp, eenig lot.
Verlosser, goede God!
En hoogste lot van allen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001