Joost van den Vondel (1587-1679)

XXIe HARPZANG.

A. 1656

Deus, Deus meus.

Mijn God, mijn God! nu sla van s Hemels bogen
Op mij Uwe alziende oogen.
Wat s d oorzaak, och! dat gij, in dezen staat
Van druk, mij dus verlaat?
Uw noodhulp eist van mijne jammerklachten.
Gij zet ze uit Uw gedachten.
Mijn God! ik alijt den dag in dit verdriet,
En Gij verhoort me niet.
Ik kerm bij nacht, en zucht naar s Hemels bogen
En vind me niet bedrogen.
Gij, die Uw koor en Heiligdom bewoont,
Wordt daar met lof gekroond
Van Jacobs huis. Onze oude vaders bouwden,
Als zij hun kracht mistrouwden,
Hun hoop op U in nood en tegenspoed;
Hun hoop rustte op dien voet,
En Gij verhoorde, in jammer en elende,
Hun jammerklachte in t ende,
Verloste hen uit hunne zwarighen,
Toen elk verlaten scheen.
Zij hielden aan bij U omhoog met roepen;
Gij redde Jacobs troepen.
Zij hoopten op Uw hulp, gelijk t betaamt,
En stonden nooit beschaamd;
Maar ik, een worm, geen mensch gelijk in wezen,
Van iedereen misprezen,
Ben als een snood uitvaagsel bij t gemeen.
Al wie mij ziet, elkeen
Belacht, beschimpt, verspuwt me, vloekt en lastert.
hun lippen zijn verbasterd
Van reden, en het brein van geest beroofd.
Een ieder schudt zijn hoofd,
Begrenikt mij, en spalkt den mond dus open:
Hij placht op God te hopen:
God helpe hem, behoede nu zijn kind,
Indien Hij t zoo bemint!
Gij hebt me, o Heer! uit moeders lijf ontvangen.
Mijn hoop en troost bleef hangen
Aan U, toen ik aan moeders borsten hing,
Mijn mond haar melk ontving.
Uw gunst heeft mij gekweekt en uitgekoren,
Zoo ras ik werd geboren.
Gij waart mijn God, van moeders lichaam aan,
Nu pas me bij te staan;
Verlaat me niet, nu mij zoo veel elenden
Genaken, geen bekenden,
Niet een, niet een (ik zie vast West en Oost)
Mij bijstaat, stut, en troost.
Veel kalvers, norsche en vet gemeste stieren
Omringen mij, en tieren,
En lioeyen vast met opgespalkten muil,
En schrikkelijk gehuil:
Als leeuwen, die uit rooflust hongrig brullen,
En bosch en woud vervullen
Met naar geschal. Mijne aders uitgebloed
Zijn, als een watervloed,
Gansch uitgestort door t vloeyen en door t lekken;
Door pijnigen en rekken
Mijn zenuwen en al mijn leden vast
Gespannen, en van last
En t lastig pak des lichaams gansch bezweken.
Het al te vinnig steken
Van deze zon des druks, de zon van smart,
Mijn afgepijngd hart
Inwendig smolt, als was voor eenen oven.
Mijn krachten zijn verstoven,
Bezweken, als een potscherf, bros en krank.
Mijn tong bleef, zonder klank,
Verdord en droog aan mijn gehemelt hangen.
Het graf, om mij t ontvangen,
Staat open. Ik, ter dood gewond, dus straf,
Ga met een voet in t graf.
Ik ben omringd van vele dolle honden,
En bassers, nu ontbonden,
Die bijten, fel en bits op mij ontsteld.
De Bloedraad om mij velt
Mijn vonnis vast. Zij graven fel, en wroeten,
En drijven, door mijn voeten
En handen, staal en ijzer, dat het knelt.
Daar hang ik, en men telt
Mijn beenders, door het spannen van de leden,
Van boven tot beneden
Daar hang ik, tot een schouwspel en vermaak
Der nooit verzade wraak,
Zoo moedernaakt, gelijk ik werd geboren.
Mijn kleeders, hun beschoren
Ten roof, zijn nu de vrijbuit van den wrok.
Mijn nadelooze rok
Den krijgsman valt ten deele in deze dwerling.
Op t oordeel van den terling.
Nu mis ik t al; ten minste, o toeverlaat!
In dezen droeven staat,
O Vader! red me in t uiterst van mijn lijden,
En help me, help me strijden
En worstelen, in t nijpen van den nood
Met d onverzoenbre dood;
Ontruk me, o God! nu s doods geslepe klingen,
Die door mijn boezem dringen
Tot in het hart, te doodelijk gewond.
Ontruk me dezen bond!
Ontweldig me uit der leeuwen muil en tooren,
En breek en kneus den horen
Van t fel gediert, dat nen horen draagt,
En mij doorstoot en plaagt,
Die met geduld en oodmoed, dus in lijden,
Den bittren strijd moet strijden;
Dan zal ik al mijn broedren Uwen naam
En loffelijke faam
Ontvouwen, en, in t midden van de scharen
 Die in Uw naam vergren,
Verheffen met lofzangen en muzijk,
Ter eere van Uw rijk.
Godvruchtigen! begint nu, met gezangen,
Eenstemmig aan te vangen
Van s Hemels lof. O Jacobs afkomst! prijs
Gods Almacht, goed en wijs,
Op t hooge feest. O, Izaks waarde zonen!
Verheft en eert Zijn tronen,
Die voor t gebed des armen, als hij klopt,
Zijne ooren sluit noch stopt,
Noch met den nek mij aanziet uit Zijn Koren,
Maar met genadige ooren
Mijn klachten hoorde, en in het nare graf
Mij t leven weder gaf;
Dies zal Uw lof iu mijn vergaderingen
Door zwerk en wolken dringen,
Van Oost tot West. Ik zal voor t aangezicht
Der vromen, dier verplicht
Aan mijn belofte, U mijn beloften houden.
Uwe armen en vertrouwden
Genieten d ar uw heilige offerspijs,
En wekken zat uw prijs
En eer, in al die God van harte zoeken:
Die harten, voor geen vloeken
Des doods bevreesd, verduren eeuw en tijd,
Die t sterflijk leven slijt.
De volken, die, zoo wijd en zijd gelegen,
Hun oorsprong overwegen,
Zien opgewekt naar s levens oorsprong om:
En al het redendom
Zal s Hemels juk gehoorzaam helpen dragen,
 Al t Heidendom gewagen
Van Zijnen naam, en knielen in het stof
Voor God en t Hemelsch hof,
Den Eigenaar en Heer van alle dingen,
Wiens heerschappij zal dwingen
Alle onbesnen. De rijken, hier verzaad
Van wereldsdom en staat,
Gewillig zich aan Zijnen disch begeven,
Genieten t eeuwig leven
Door d offerspijs, aanbidden God den Heer,
En t sterflijk volk valt neer
Op t aangezicht ter aarde, als opgetogen,
Voor Zijn doorzichtige oogen.
Nu zal mijn ziel en leven net vergaan.
Mijne afkomst zal voortaan
Hem dienen, en naar zijn behagen eeren.
Het nieuw geslacht des Heeren
Zal luistren naar den klank der heiltrompet.
De Hemel zal Gods wet
En t Hemelsch recht verkondigen door raden,
Gebood en wonderdaden
En leeringen, den volken, die God riep,
En door Zijn woord herschiep.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001