Joost van den Vondel (1587-1679)

XXVIe HARPZANG.

A. 1656

Dominus illuminatio mea.

Wanneer mijn geest, in duisternis
Van rampen, vreest,
Dan wordt mijn aangevochten geest
Van God, die s vromen Trooster is
En hulp, verlicht;
En mijn gezicht,
Beneveld van de zwarighen,
Aanschouwt, hoe mijne hulp verscheen
Van mijn Behoeder, noot volprezen.
Wat aanstoot staat mij dan te vreezen?

D onwederstaanbre Majesteit,
Die t al bestiert,
Den toom van s werelds beurten viert
En kort, naar haar voorzienigheid,
Beschut, in spijt
Van haat en nijd,
Mijn leven voor der boozen rot.
Ik ken geen schutsheer dan mijn God,
Die mij beschut alle oogenblikken.
Voor wiens geweld hoef ik te schrikken?

Indien mijn haters, op de been,
Gelijkerhand
Vervaarlijk tegens mij gekant,
Genaken, om mijn lijf en len
Met hun gebit,
Op roof verhit,
Te scheuren en verslinden wreed,
Dan ziet men al wat naar mij beet,
Dan tand gewet had op mijn leven,
Den moed ontzinken, daar ze sneven.

Al trokken heele heeren aan
Op mij alleen,
Ik vrees gewislijk voor niet een,
Noch alle, die mij wederstaan.
Mijn moedig hart
Vreest spits, noch smart;
Al vellen ze al t geweer op mij,
Ik trekke d Almacht op mijn zij,
En hoop op God, mijn Ouderstutter,
Mijn Licht, Behoeder, en Beschutter.

Ik bad dan Heer om eens zaak,
En hoop, dat Hij
Die mij verhoort, dees bede mij
Niet weigren zal, dat s: met vermaak,
(Zoo lang het bloed
Mijn geesten voedt,
En t leven in het lichaam houdt)
In t huis, aan Arpus wacht betrouwd,
Mijn tijd en leven stil te slijten,
In schaduwe van Gods tapijten.

Opdat ik daar Gods heerlijkheid
Bespieglen mag,
En, opgetogen nacht en dag,
Zijn wellusten en majesteit
En schoonheid zien,
Die mij beden
En wijzen eene rijker kerk,
Gewelfd nog hooger dan het zwerk,
Daar God verheerlijkt, onbetogen
Van wolken, straalt in zalige oogen.

In schaduw van Zijn pauweljoen
En heilig koor,
Ontduik ik rampen, schuil er voor
Mijn vijanden, die vreeslijk won:
En Hij beschut
Mij in Zijn hot,
In tijd van nood voor ongeluk,
Voor hagelbui en ramp en druk,
En, veilig in Zijn tent verborgen,
Ontsla ik mij van aardsche zorgen.

Hier rust ik stil, bewaakt van God,
En t alziende oog.
Ik zit getrokken hemelhoog,
Als op een vrijburg en een slot,
Gebouwd heel trotsch
Op eene rots,
En zie mijn vijand over t hoofd,
Die ziet, van alle hoop beroofd,
Hoe God het hoofd, waarop men loerde,
Dus scheutvrij in dees hoogte voerde.

k Liet mijn gedachten over al
Gods wonderdan
En wonderbare werken gaan,
Verbaasd om dit ontelbaar tal;
Dit gaf me stof,
Hem prijs en lof
En dank op te offren, in zijn tent.
Gelijk ik doorgaans ben gewend.
Toen wijdde ik Hem, met groot verlangen,
Mijn keel en harp en harpgezangen.

Vergun me, o God! deze ne be,
Dien nen schat,
Waarom ik U zou vierig bad:
Ontferm, uit Uw gewijde ste,
U over mij!
Mijn hart sprak vrij
Met een betrouwen: God, mijn licht!
ik zag U stag naar t aangezicht,
En zal, uit alle mijn vermogen,
U, niemand anders, zien naar d oogen.

Och, keer Uw aanschijn nimmermeer
Van mij! dat ik
Dien heldren glans en blijden blik
Van Uw genadig ooge ontbeer.
Och! keer zoo straf
Uw oog niet af
Van Uwen dienaar, dat hij niet
En wankele, gelijk een riet,
Noch struikele, als Gij hem uit tooren
Verlaat, en weigert te verhooren.

Och! zijt mijn noodhulp, en verlaat
Mij niet in nood,
Van Uwen toeverlaat ontbloot.
Versm mij niet, in dezen staat
Van leed en last.
Sta vast, sta vast,
O Godl ik ben, nu dus gering,
Verlaten, als een vondeling,
Van mijnen vader en mijn moeder:
Gij naamt mij op, als Voogd en Hoeder.

Nu schrijf me toch een regel voor,
Een wisse wet,
Waarnaar ik s levens wandel zet,
En let mij op het rechte spoor,
Om s vijands wil,
Die loos en stil
Mij zoekt te leiden van mijn wacht.
Och! voer me niet in s haters macht,
Wiens valsche tuigen mij belagen,
En in het liegen schept behagen.

Ik hoop, in Gods onsterflijkheid,
Deze erfenis,
Die Zijn geslacht beschoren is,
T aanschouwen, schoon het lange beidt.
Verwacht hem dan,
Gelijk een man,
En ho u moedig, in uw smart,
Uit een getroost en rustig hart,
Aan God, met alle Godgetrouwen,
Als aan den pijler, daar ze op bouwen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001