Joost van den Vondel (1587-1679)

XXVIIe HARPZANG.

A. 1656

Ad te, Domine, clamabo.

    O Heer, omhoog in top gezeten!
Ik roepe, en heb mij heesch gekreten
Met droevig kermen en gesteen,
En zwijgt Ge nog op mijn geben?
    Indien Gij zwijgt in mijn bezwaren,
Zoo slecht ik die ten grave varen,
Omlaag naar d onderaardsche poort,
Gatisch troosteloos en onverhoord.
    Verhoor mijn klachten en gebeden,
Als ik U aanschrei van beneden,
Mijn handen hef naar t heilig koor,
Op hoop van bijstand en gehoor;
    Zoo zult Ge mij niet, dus benepen,
Als boozen, naar den afgrond slepen,
En niet verdelgen, als de kwan,
Die hopeloos te gronde gaan;
    Die, schijnende naar vre te haasten,
Van vrede spreken met hun naasten,
En, met een schijn van peis vernist,
Slechts tweedracht broeden, haat en twist.
    Betaal ze naar hun valscbe vonden,
En booze en goddelooze gronden;
Beloon ze naar hun werk en zin,
En schenk het zelve aap hun in.
    Zij leerden wonderwerk en zegen
Des Hemels langzaam overwegen;
Dies brengt God al hun werk te schand,
En bouwt hun werk niet met Zijn hand.
    Geloofd zij God, die met Zijne ooren
Zich heeft geoeaardigd, mij te booren!
Mijnhoop, mijn Sehutsheer in den strijd!
Gij hoort mijn bede t, aller tijd.
    Mijn beenders, uit het stof geheven,
Herbloeyen weder en herleven,
Dies loof ik Uw genade en kracht,
Uit al mijn hart, uit al mijn macht.
    De sterkste van Zijn volk en staten
Is God, waarop zij zich verlaten.
Hij hoed t den Koning in t verdriet,
Dien Hij met eere zalven liet.
    O Heer! beho Uw volk, en zegen
Uw erfdeel, tot Uw dienst genegen.
Bestuurt ze, en zet ze, eeuw in, eeuw uit,
In eere, van geen tijd gestuit!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001