Joost van den Vondel (1587-1679)

XXIXe HARPZANG.

A. 1656

Exaltabo te, Domine.

k Wil U met mijn harp verheffen
 O God, mijn Toeverlaat!
Die, waar haat mijn hoofd wil treffen,
Mij wakker gadeslaat.
Handhaaft, en niet wil gwdoogen
Dat s vijands overmoed
Stof vindt, zich met vreugd te bogen
Om mijnen wederspoed.
k Riep U aan, o nooit volprezen!
In mijn flauwhartigheid,
En Gij hebt me voort genezen
Door Uw bdrmhartigheid.
Heer! Gij rukt me uit s Afgronds kaken
En opgespalkten muil,
Dwingt de dood, dien roof te slaken,
Daar, met een naar gehuil,
Bleeke don ter Helle varen,
Naar s Afgronds duistren poel.
Zingt den Heere op spel en snaren,
Gij die, aan Arons stoel
En zijn heilig koor verbonden,
God zonder smetten dient.
Looft, belijdt met volle monde
God, die, der vromen Vriend,
Uit Zijn heilige gedachten
U niet heeft uitgevaagd;
Want op Jacobs erfgeslachten
En t volk, dat Hem behaagt,
Is Hij eeuwig niet verbolgen,
Maar slechts een korte tijd,
Daar genade en gunst op volgen,
En t leven zonder strijd.
Schoon men schreit tot s avonds spade,
Van rouwe in t hart gewond,
s Morgens troost ons Zijn genade,
Recht als de morgenstond
Blijschap wekt in alle harten.
Toen ik in weelde zat,
Rijk gezegend, vrij van smarten,
Sprak ik te trotsch en prat:
Ik zit vast voor al mijn leven!
Wie zet mij uit mijn staat?
Heer! Gij hebt me in top geheven,
En, naar Uw wil en raad,
Dus bevestigd op den zetel
Met eere en majesteit.
Op dat stoffen, zoo vermetel,
Uit trots en onbescheid,
Keert Ge Uwe alverkwikkende oogen
En aanschijn af van mij.
k Vond mij in mijn roem bedrogen,
En stoute hovaardij.
k Voelde ontsteltenis van binnen,
Daar ging een hol getij,
En een barning in mijn zinnen.
Mijn hoop geraakte in lij.
Ik hervat mijn klachtig smeeken,
Roep: Heer! wilt Gij voortaan
Mij van Uw gen versteken,
En moet ik ondergaan;
Wie trekt voordeel uit mijn sterven,
En t storten van mijn bloed,
Daar mijn lichaam moet bederven,
In stof en asch gewroet?
Kunnen stof en asch U eeren,
Of Uwe oprechte trouw
In t beloven andren leeren?
God hoort van t hoog gebouw
Daar Hij heerscht, mijn deerlijk kermen,
En Zijn genegenheid
Ziet mij aan, met groot ontfermen,
In mijn verlegenheid.
God verhoort me, zonder beyen,
Herschept mijn ongeneugt
In een lofzang, en mijn schreyen
En rouw in volle vreugd.
God rukt, daar ik zat en treurde,
Met eenen zak in d asch,
Mij den zak van t lijf, en scheurde
Mijn treurkleed snel en ras.
Hij omgordt met feestgewaden
En blijschap mijn gemoed,
Opdat ik Zijn groote daden,
Wer op den ouden voet,
In mijn heerlijkheid gezeten,
Met zang en snarespel
Breed en heerlijk uit zou meten,
En, vrij van aardsch gekwel,
Eeuwig Zijnen lof verbreyen.
Mijn hulp in t Hemelsch hof!
Nimmer blijft mijn zang gescheyen
Van Uwen rijken lof.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001