Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXIe HARPZANG.

Aº. 1656

Beati quorum remissae sunt.

Welzalig mag men zulk een houden,
Wiens schulden God heeft kwijtgeachouden.
Wiens misdaân Gods genâ bedekt.
Wel zalig, wien betaling strekt,
Dat God hem geen verloop toereken’,
En in wiens geest geen valschheên steken.

Om ’t zwijgen van mijn boos geweten
Is mijn gebeent veroud, versleten,
Terwijl ik kreet den dag ten end,
Ik voelde en kende mijne elend’,
Toen dag en nacht uw band, uit tooren,
Mij drukte, en prikte als met een doren.

Ik heb mijn zwaar vergrijp beleden,
En U mijne ongerechtigheden
Niet meer verborgen. ’k Sprak: „welaan!
Ik wil mij zelven melden gaan,
En Gode ontvouwen al mijn boosheid”;
En Gij vergeeft me mijn godloosheid.

Hierom zal elk, geneigd te boeten,
Bij tijde zich werpen voor Uw voeten,
Eer hem de springvloed henerukk’.
Gij zijt mijn toevlucht, als mij druk
Omringt. Mijn blijschap help me dringen
Door al, die mij met macht omringen.

’k Zal uw verstand, zegt God, verwekken,
En dezen weg, dien gij moet trekken,
U komen wijzen van omhoog;
Ik zal met Mijn zorgvuldig oog
U naarstig gâslaan en regeeren,
En nimmer ’t aanschijn van u keeren.

Slacht paard noch muil, van reên versteken.
Betoom en breidel dees gebreken
Der woestenij, die u tot geen wit
Verkiezen, met een mondgebit
En muilprang. Zondaars moeten bloeden,
Als God hen geeselt met veel roeden.

Maar Gods genâ, voor vromen open,
Omlegert hen, die op Hem hoopen.
Verheug, verblij u in den Heer,
Rechtvaardig volk! en wien men meer
Vroomhartig en oprecht mag noemen,
Gij moogt op God met reden roemen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001