Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXIIe HARPZANG.

A. 1656

Exnltate, justi, in Domino.

Gij allen, die gedachten, woord, en zeden
Weegt in de schaal van billijkheid en reden,
Verheugt u, juicht voor t Hemelach hof!
Oprechte harten past Gods lof.
Ontvouwt Gods eer, laat die ten Hemel varen,
Op cytherklank, op galm van vijf paar snaren,
En zwaait, nooit spel noch zingen mo,
Den Hoogste een nieuwen lofzang toe;
Want Gods belofte en woorden gaan geregeld,
En worden trouw in al Zijn werk bezegeld,
Bevestigd, en Zijn heilverbond
Beschaamde nooit dien zuivren mond.
Het lust Hem, met genade te bedouwen
Al die Zijn woord omhelzen en betrouwen,
Het lust Hem, goddelooze en vriend
Te loonen, naar dat elk verdient.
Al d aardkloot is gepropt van Gods genade.
Hij schept, behoedt, en slaat Zijn schepsel gade,
Vooral den mensch, begaafd met al,
Wat lijf en ziele dienen zal.
Hij spant door kracht van t Woord des Hemels bogen,
En houdt t gewelf des Hemels, voor onze oogen,
Door Zijnen Geest en adem, vast
Gegrond op zijnen eigen laast.
Hij houdt de zee, om t aardrijk heen gegoten,
Als in den buik van eene flesch gesloten,
En sluit den Afgrond, als een schat,
In zijne kolk en watervat
Last d aarde dan deze almacht, dit vermogen,
Met schrik ontzien, en met godvruchtige oogen
God vreezen, die, om d aarde heen,
Den grond bewonen en betren;
Want s Hemels kracht en almacht kan elk merken
Uit s Hemels wil en uitspraak, daar de werken
Op volgen. Wat God wil en zet,
Dat staat er, dat s geachapenheid.
Gods wijsheid kan zeer lacht den raad der dwazen
En volken, als het stof, als mist, verblazen.
Hij stoot der menschen aanslag om,
En maakt den raad der Vorsten stom;
Maar Gods besluit en raadslot zullen blijven
Eeuw in, eeuw uit. Wat God met kracht wil drijven,
Dat voert Hij sterk en rustig uit,
Van stam tot stam, van spruit tot spruit.
Gelukkig is het eigen volk des Heeren,
Dat God omhelst, en Zijnen naam wil eeren,
Het volk, dat, eeuwig en altoos,
Hij voor Zijn lot en erfdeel koos.
D Alziende sloeg Zijne oogen naar beneden,
En zag alom de menschen henetreden;
Hij zag, uit Zijn gespanne tent,
De menschen tot aan s werelds end;
D Alziende, die eens ieders hart bootseerde,
En klaarlijk kende al wat omlaag verkeerde,
En elks gedachten, werk, en wit,
Van daar Hij op Zijn zetel zit.
Hij kon omhoog uit Zijnen stoel aanschouwen,
Hoe nimmermeer een koning blijft behouen
Door zijne heerkracht en t geweld,
Dat hij gewapend brengt te veld;
Hoe sterkheid en geweld van reuzenarmen
Den sterksten reus in t vechtperk niet beschermen,
Wanneer hij voorttreedt, trotsch en sterk,
En vecht in t bloedig worstelperk.
De ruiter noopt het paard vergeefs met sporen,
En briescht in t heer, en schuimbekt heet van tooren,
Zoo onder t vechten, daar elk wijkt,
De kracht van t sterkste paard bezwijkt.
De groote kracht en snelheid des betrouwden
Kan zijnen heer en meester niet behouden,
Noch t leven bergen in den nood
Voor t zwaard der onontvluchtbre dood;
Maar merk, Gods oog bewaakt en slaat hem gade
Al wie God vreest, en steunt op Zijn genade,
Ontrukt hun zielen van de dood,
En voedt ze in bittren hongersnood.
t Godvruchtig hart met zijne medestanders
Rust hierom vast op God en niemand anders;
Op God, die zeker en gewis
Der vromen hulp en Schutsheer is
Uit deze bron ontspringt, indruk en smarten,
De vreugd, gelijk een beek, in vrome harten.
Op Gods gewijden naam en God
Betrouwen wij ons hoogste lot.
Och, zegen ons, o Heer! en Uw geslachten,
Gelijk we op Uw genade en goedheid wachten,
Met Uw gen, de rijke vrucht
Van ons geben, van zucht op zucht!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001