Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXIIIe HARPZANG.

Aº. 1656

Benedicam Dominum.

Ik wil, in weelde en ongeluk,
Het ga zoo God wil, op een wijs
En maat, die mijnen geest verrukk’,
God doorgaans loven, Hem te prijs.
Ik wil mijn keel op tonen wetten,
En eeuwig ’s Hemels lof trompetten.

Mijn zang zal eer inleggen bij
De Godheid, wien ik eere schenk.
D’ oodmoedige, die ’t hoort, zal blij
En vrolijk aantreên op mijn wenk,
Wanneer ik roep: „ spant te gader,
En looft met mij dien grooten Vader!

Toen mijne ziel was in de klem,
Riep ik Hem vierig aan, en Hij
Boog d’ ooren naar mijn droeve stem
En jammerklacht, en rukte mij
Uit alle elende en zwarigheden,
Die mij benaauwden hier beneden.

Stijgt op naar God in uwe smart!
Zijn troost verlichte u, als de damp
Des druks benevelt zin en hart,
Zoo staat gij niet beschaamd in ramp.
Toen d’ arme klaagde, in ’t overstulpen
Des druks, werd hij van God geholpen.

De Godheid zendt haar Engel neêr,
Dees legert zich rondom den man,
Die God ontziet, en ’s Hemels eer
Zoo loflijk uitbreidt, als hij kan;
En God, in goedheid nooit volprezen,
Verlost ze uit nood al die Hem vreezen.

Och! merkt eens op, en vergt den smaak
Der tonge van ’t bekoord gemoed,
Dat dees u melde, op hare spraak,
Hoe liefelijk, hoe honigzoet
De Godheid is. Gelukkig bouwen
De wijzen, die op God betrouwen.

Gij Heiligen, van ’s Hemels geest
Gedreven naar het hoogste lot!
Ziet toe, dat gij de Godheid vreest,
En nimmer kwetst het hoog gebod;
Want die God vreezen onbezweken,
Geen hulp noch nooddruft zal ontbreken.

De rijke, vrek in overvloed,
Leed armoê, hongerde, onverzaad
Van roof en onrechtvaardig goed;
Maar die God zochten, vroeg en laat,
Ontbrak ’t in armoê, hoe verlegen,
Nog nooit aan schat van troost en zegen.

Komt herwaart, mijn scholieren! koomt;
Ik zal u leeren door Gods Geest,
Hoe God den zoon beloont, die schroomt
Zijn naam te kwetsen, en Hem vreest.
Wie wil zijn levens tijd verlengen,
Zijn dagen zalig overbrengen?

Wie zalig leven wil en blij,
Betoom’, besnoei’ zijn tong van kwaad,
Van dubbelheid, bedreigerij,
En logentaal en valschen raad,
Schuw kwaad, zoek’ ’t goede met verlangen,
Zoek vrede, en volge vredegangen;

Want God bewaakt het vroom geslacht
Van hoven, met Zijn alziende oog,
En neigt Zijne ooren naar hun klacht,
Maar dreigt vergramd, van ’s Hemelsboog,
De boozen t’ zamen te verdelgen,
Den naam des stams met al zijn telgen.

De vrome riep den Hemel aan,
En ’s Hemels Heer verhoorde hem,
Verloste hem, die, overlaân
Van druk, den druk meldt met zijn stem.
God legert zich om droeve harten,
En zalft oodmoedige in hun smarten.

De zwarigheên der vromen zijn
Ontelbaar, maar hun God alleen
Verlost, na ’t nijpen van de pijn.
Zijn volk uit alle zwarigheên,
Bewaart hun beenders op hun smeeken,
En laat niet een in stukken breken.

De dood der goddeloozen is
De slimste en jammerlijkste staat;
Hij dwaalt van ’t pad des heils gewis,
Die den oprechten plaagt en haat.
God vrijdt de zielen van Zijn knechten,
Het heil-wit treffen alle oprechten.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001