Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXIVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Judica, Domine, nocentes me.

G-erechte Aartsrechter! vel Uw oordeel;
Verwijs mijn vijand, zonder voordeel;
Ik eische recht.
Bestrij met macht mijn tegenstrijders!
Bestrij de haters en benijders
Van Uwen knecht!
Grijp aan geweer en schild en wapen;
Waak op, verdadig mij rechtschapen!
Nu vel de speer,
BiÍ spits mijn haters, die verbolgen
Mij schrikkelijk en wreed vervolgen.
Versterk me, o Heer!
Nu spreek me een moed in en betrouwen,
En zeg: gij wordt door Mij behouwen;
Zijt onvertaaagd!
Zij moeten al te schande komen,
Die, ten bederve en val der vromen,
Mijn ziel belaagt.
Zij moeten al terugge deizen,
Beschaamd staan, die erglistig peizen,
Mij plat te treÍn.
Dat zij, als stof voor wind, verdwijnen.
Gods Engel jage, op zijn verschijnen,
Hen voor zich heen!
Dat zij het spoor, als ziende blinden,
Bij duisternis niet kunnen vinden,
En dí Engel fel
De vluchitgen en bloode zielen,
Vervolge en stijf zitte op de hielen,
Zoo straf als snel;
Naardien ze, boos en onbescheiden
Mij heimelijke lagen leiden,
Te streng en straf,
Mij smaad toedreven menigvuldig,
Daar ik, onnoozel en onschuldig,
Geene oorzaak gaf.
Dat deze strikken, die zij hangen,
Nu zelfs de lageleggers vangen,
Eer zij ít vermoÍn;
Dat zij, die heimlijk strikken zetten,
Nu vallen in hun eige netten,
En angelroÍn.
Maar mijn gemoed zal, na dit lijden,
In Gode juichen en verblijden,
En zich met lust
Verkwikken over zijn Behoeder,
Beschutter, Zegenaar, Alvoeder,
In stilte en rust.
Mijn ziel en beenders zullen spreken:
ĄWie wordt, o Heer! Bij U geleken
In macht en kracht,
In goedheid, wijsheid, en genade,
En liefde, die hem vrijdt voor schade,
Die op U wacht?
Gij kunt verdrukten licht beschermen,
Ontrukken uit des sterken armen,
Wie zucht en klaagt,
Ontrukken arme en droeve scharen
Den klauwe der geweldenaren,
Die dí armen plaagt.
Men klampt me aan boord, om ít recht te buigen
Met valsche tongen en getuigen.
ík Woede ondervraagd
En ondertast van onbekenden,
Die mij onschuldig lastren, schenden,
Heel onvertaasgd.
De godvergete goddeloosheid
Vergeldt genote deugd met boosheid,
En goed met kwaad,
Om mij al teffens te bederven,
En uit te royen, en te onterven
Met raad en daad:
Maar ik, als zij mij overstreden,
Schoot haren kleeders aan mijn leden,
En vaste in dí asch,
Riep God om troost aan, in dees smarte,
En voelde Zijnen troost in ít harte,
Die mij genas.
ík Heb mij hij mijn partij gedragen,
En zocht mijn haters te behagen,
Als waren ze elk
Mijn naaste bloedvriend en mijn broeder,
Gezoogd van eene zelve moeder
Met ťťne melk.
ík VerneÍr me om hen, die mij benijden,
Als een, die treurt uit medelijden,
In ít rouwgewaad;
En zij, verheugd in mijn bezwaren,
Voorzien met scherp en roÍn, verg‚ren
En houden raad,
En ik, die kwaad noch erg vermoedde,
Zit stil, en ben niet op mijn hoede:
Maar God verstoort
Dien raad en aanslag, loos gebrouwen.
Dit schijnt hun echter niet te rouwen,
Zij varen voort
Zij zoeken mijn geduld te persen
Met schimp, daar ze op hun tanden knersen,
Dit boos geslacht.
Mijn God! wanneer ziet Gij eens neder?
Verlos en red mijn ziel toch weder
Uit ís haters macht!
Verlos mijn ziel, eer zij verflauwe,
Mijn eenige uit der leeuwen klauwe;
Ik zal Uw lof
In Uwe groote Kerke ontvouwen,
In ít midden van de Godgetrouwen,
Op deze stof.
Verheug ze niet, die dus verbolgen,
Mij onrechtvaardiglijk vervolgen,
En zonder reÍn
Mij haten, en met minzame oogen,
In schijn van vriendschap, loos bedrogen,
En ondertreÍn.
Zij spraken tegens mij van vrede,
Verbloemden gram, met deze rede,
Hun valsch bedrog,
Zij riepen: ĄheÓ! (met ope monden)
ĄWij zien hetgeen waarnaar wij stonden;
Wat schort er nog?
O God! Gij zaagt het; zwijg niet langer!
O God! nu wijk niet van Uw zanger;
Ontwaak, o Heer!
En luister naar mijn recht; bezegel
Het vonnis naar Uw recht en regel,
Ik eisch niet meer.
Verheug geen vijand met mijn smarte,
Dat zij niet roemen in hun harte:
ĄSchep moed, schep moed!
Wij hebben hem, als roof, verslonden.
Beschaam en schrik hem, die ontbonden
Zijn wraaklust voedt;
Die zich verheugen in mijn klachten.
Vertsaag, verstrooi ze in hun gedachten,
Die mij verbluft,
En stoffen, dat zij mij bedrogen,
Door list en treken overmogen,
Die treurt en suft.
Verheug ze, die mijn zaak beseffen,
God eeuwig loven en verheffen,
En Zijnen knecht
Eene uitkomst gunnen. ík Zal U loven,
Die al mijn ongelijk van boven
In ít eind beslecht!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001