Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Dixit injustus, ut delinquat.

Op het punt van overtreden
Tegens reden,
Sprak de hater van Gods wet
In zijn harte, zijn gedachten
God niet achten,
Op wiens vrees hij nimmer let;

Want hij handelt voor Gods oogen
Staag met togen,
Schalkhemd en bedrog en list,
Om door ít onrechtvaardig leven
Stof te geven
Aan Gods wraak, dus opgohitst.

Ieder hoort hem doorgaans liegen.
Van bedriegen
Is zijn mond vol, bij elkeen.
Hij wil van geen tuchtles hooren,
En zijne ooren
Luisteren naar recht noch reÍn.

ís Nachts op ít bedde smeedt zijn boosheid Goddeloosheid;
Alle zijdegangen staan
Voor hem op, geen kromme wegen
Staan hem tegen,
Zijn te slim om in te slaan.í

Uw bermhartigheÍn bereiken
ít Hoogste teiken
Aan den starrelichten boog;
En de trouw van Uwe waarheid,
Rijk van klaarheid,
Raakt het driftig zwerk omhoog.

Uw rechtvaardigheid, in ít kronen
En beloonen
Van een ieders vroom gerucht,
Stijgert honger dan de duinen,
Dan de kruinen
Van ít gebergte, zon, en lucht.

Uwe vonnissen, gebleken
En gestreken
In ít beleid, dat nimmer sliep.
Uit Uw hooge rechterstoelen,
Zijn als poelen,
Als een afgrond, ons te diep.

Heer! Gij hoedt en kunt bestieren
Mensch en dieren,
Door Uwe alvoorzienigheid.
O, hoe hebt Gij Uw genade,
Vroeg en spade,
Rijk en heerlijk uitgebreid!

In de schaduw van Uw veÍren
Daar verkeeren,
Daar verschuilen zich gerust
Harten, die al hun betrouwen
Op U bouwen,
Van Uw voorzorg wel bewust.

Dí overvloed van Uwe hoven
Schenkt van boven
Hun volop tot aan den boord,
En Gij drenkt de Godgerusten
Met Uw lusten,
Als met beker, voort en voort;

Want Gij zijt, o rijke Vader!
Bron en ader
Van het leven, zonder end.
Wij bespieglen nut dees naarheid,
In Uw klaarheid,
ít Eeuwig licht in ís Hemels tent.

BreÓ toch Uw bermhartigheden
Uit beneden
Over ieder, die U kent!
Kroon het zuiver hart rechtvaardig,
Dat, U waardig,
Met geen vlekken is geschend.

Dat de hovaardij haar trede
En haar schrede
Nimmer zette op mijnen vloer,
Noch de band des zielverleyers
En des vleyers
Mij niet meÍslepe aan haar snoer;

Want daar sneuvelden en vielen
Booze zielen
Op die glibberige baan,
Uitgedreven met haar allen,
En gevallen,
Om nooit weder op te staan.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001