Joost van den Vondel (1587-1679)

XXXVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Dixi, custodiam vias meas.

Ik nam in t heimelijk bij mij
Een opzet, om voortaan,
Van alle slibberingen vrij,
Mijn wandel ga te slaan,
Te letten, dat mijn tonge niet,
Ter smette van mijn ziel,
Tot s nazaten smaad en nadeel iet,
Ook t minste net, ontviel.
Ik toonde omzichtig mijnen mond,
Wanneer een booswicht kwam
Om mij te tergen, zonder grond
En oorzaak, boos en gram.
Ik stond, als stom en sprakeloos,
Vol oodmoed en geduld,
En werd bedroefd, dat hij dus boos
Mij kwetste, zonder schuld.
Mijn hart werd heet van brand en gloed,
Eis mijn bespiegeling
Ontstak een vier in mijn gemoed,
Als mij ter harte ging
Mijn naastons snoode ondankbaarheid,
En zwakheid en vergrijp,
In werwil van Gods majesteit.
Ik sprak, bedacht en rijp,
Op mijne spraak, in mijn gebed.
O Heer! ontdek me toch
Wat merkpaal Gij mijn leven zet,
Hoe lange duurt het nog?
Hoe groot is t jaartal van mijn tijd,
Opdat ik eenmaal weet
Wat mij nog schort, eer t leven slijt?
Want Gij mijn dagen meet.
Mijn tijd is niet een oogenblik
Bij U, die eeuwig leeft.
Al wie hier, wel in zijnen schik,
Aan aardsche dingen kleeft,
Is blind en ijdel, mmmi dan niet.
De mensch, die heerlijk schijnt,
Vergaat, eer t iemand merkt en ziet,
Gelijk een schim verdwijnt,
Gelijk eer, schijnbeeld, en ontzet
Zich ijdel om het goed
En t wereldsch, dat de ziel besmet.
Hij spaart een overvloed
Van schat en rijkdom, zonder tal,
En weet, nooit grabblens mo,
Niet eens, wien hij dit laten zal,
Noch kent het eind, waartoe.
Maar nu, o Heer! wat is hetgeen
Waarop ik hopen mag?
Zijt Gij, o God! nu niet alleen
Mijn rijkdom en bejag?
Is al mijn erfgoed niet omhoog?
O Heer! verlos me dan
Van al mijn misdan, voor Uw oog
Bedreven nu en dan.
Gij gaaft mij over tot een smaad
Van dit verdwaasd geslacht;
Ik hiel me stom, en sprak geen kwaad,
Hoe snood men mij veracht,
Dewijl t Uw wil is, dat ik lij;
Nu keer Uw plagen af;
Want, Heer! Uw hand genaakte mij,
En trof mijn hart zoo straf,
Dat ik bezweek, toen Uwe stem
Mij strafte streng en hard,
Die, om mijn misdan in de klem,
Van U gegeeseld werd.
Verging allengs, gelijk een spin,
Die t ingewand verspint.
Hij kwelt vergeefs zijn hart en zin,
Die niets hij t ijdel wint.
O Heer! verhoor toch mijn geben,
En smeeken in elend;
Verhoor mijn zuchten en gesteen,
Die mijne tranen kent.
Och t zwijg niet in mijn ballingsdom,
Zoo wijd van Uwen troon.
Ik dele als vreemd, gelijk alom
Mijn vaders zijn gewoon.
Vergeef me al t kwaad, dat ik beken,
Verkoel mijn gloed, eer ik
Niet langer hier in wezen hen,
Na s levens oogenblik.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001