Joost van den Vondel (1587-1679)

XLIe HARPZANG.

Aº. 1656

Quemadmodum desiderat.

Als het afgejaagde hart
Haakt naar versche waterbronnen,
Zoo verlangt mijn ziel, van smart,
Rouwe en klachten afgeronneun,
Naar mijn God, mijn ziel verlangt
Dorstig naar de bron van ’t leven,
God, aan Wien elks leven hangt.
Wanneer wordt mij eens gegeven,
God t’ aanschouwen in Zijn licht,
Voor Zijn aanschijn te verschijnen?
Tranen staan in mijn gezicht,
Nacht en dag, van deerlijk kwijnen.
Tranen zijn mijn spijs en lot,
Als zij daaglijks schimping spreken,
Tot mijn ziel: „waar is uw God?
Dat herdenk ik, en met smeeken
Stort dus mijn gedachten uit:
„Wanneer zal ik, Hartdoorgronder!
Opgaan, daar Uw hut besluit
Zulk een Heiligdom en wonder?
Daar Gods huis het Heiligdom
Overschaduwt, en Uw Koren
Mij, die juiche op snaar en bom,
Als een feestgast, zingen hooren?
Mijne ziel, wat zijt gij droef?
Waarom stoort gij mijn gedachten?
Hoop op God, schoon Hij vertoef;
Want ik zal, na druk en klachten,
Hem belijden met gedicht.
Als, Hij mij ten troost verschenen,
Voor Zijn heilrijke aangezicht,
Alle nevels zijn verdwenen.
Toen ik op mijn zwakheid zag,
Was mijn ziel beroerd van binnen.
Onder mijn bedrukt geklag
Zweefden helder voor mijn zinnen
De Jordaan, een grens van ’t rijk,
En ook Hermon, daar Uw werken
Blinken voor een iegelijk,
Die aandachtig op leert merken.
Toen Uw macht door tegenspoên
Mij woû proeven, kwamen bruisen
Grondelooze watervloên,
Als een waterval van sluizen,
Met een schrikkelijk geschal,
Alle uw diepe waterbaren
Gingen hoog van overal
Over d’ opgerechte haren
Van mijn hoofd, tot dat de tijd
Van Uw noodhulp wordt geboren,
Gij genadig mij bevrijdt,
Ik bij nacht mijn zang laat hooren.
’k Hoû met bidden in mijn smart
Aan hij U, die mij hij ’t leven
Houdt en voedt, ’k Zal met mijn hart
Mijn Handhaver d’ eere geven.
Och! waarom vergeet Ge mij?
Waarom ga ik treurig bukken,
Midlerwijl mijn weêrpartij
Mij bespringt en wil verdrukken?
Midlerwijl ik vast verga,
En mijn beenen daaglijks slijten,
Mijn vervolgers voor en na
Daaglijks mij mijn ramp verwijten,
Roepen: „wel, waar is uw God?
Waar ma nu uw God te vinden,
Uw betrouwen, burg, en slot,
Om u van verdriet t’ ontbinden?”
Mijne ziel, wat zijt gij droef?
Waarom stoort gij mijn gedachten?
Hoop op God, schoon Hij vertoef;
Want ik zal, na druk en klachten,
Hem belijden met gedicht,
Als, hij mij ten troost vcrschenen,
Voor Zijn heilrijk aangezicht,
Alle nevels zijn verdwenen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001