Joost van den Vondel (1587-1679)

XLIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Judica me, Deus, et discerne.

    O God! nu oordeel Uwen knecht,
En onderscheÓ zijn zaak en recht
Van ít heilloos bloed, beschut me toch
Voor zijn geweld en loos bedrog!
    Want Gij zijt al mijn toeverlaat.
Waarom verstoot Gij mij met smaad,
En laat mij treurig henegaan,
Die tegens geen vervolg kan staan?
    Verlicht me toch, door Uwen dag
En waarheid dat ik klimmen mag
Door hun geleide, zonder erg,
In ít Heiligdom, op Uwen berg.
    Daar zal ik offren, met Uw schaar,
Mijn offerande op Uw altaar,
Voor U, Herschepper van mijn jeugd!
En eenige oorzaak van mijn vreugd.
    O God, mijn God! ik wil U daar
Verheffen op mijn cythersnaar.
Mijn ziel! hoe treurt gij dus ontsteld?
Wat droef hemd is het, dien kwelt?
    Betrouw op God, en neem geduld:
Want gij Hem nog verheffen zult,
Als Hij zijn heilrijk aanschijn toont,
En blijft de Godheid, die u kroont.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001