Joost van den Vondel (1587-1679)

XLIIIe HARPZANG.

A. 1656

Deus, auribus nostris audivimus.

Wij hoorden t al van ouds met eigens ooren;
De vaders lieten klaar,
O groote God! ons Uwe daden hooren,
Te groot en wonderbaar:
Uw wonderen en werken, dus ze zagen
In hunnen tijd, zoo breed,
Zoo wijd bekend in d overoude dagen.
Uw hand verstrooide en smeet
Het Heidendom uit zijn bezit en steden,
En plantte Jacobs zaad
Op dezen grond. Gij plaagde alle onbesneden,
En zette ze uit hun staat.
Gods stammen niet door krachten van hun degen
Geraakten in t bezit,
Noch wonnen door hunne armen eenen zegen,
Zoo groot en rijk als dit;
Maar Uwe hand en arm, o macht van boven!
Zet hen in t wettig goed.
De stralen van Uw aanschijn, waard te loven, Ontvonken hunnen moed;
Want Gij, o Heer! schiept wonderlijk behagen
In Abrahams geslacht.
O God! Gij zijt mijn Vorst, en keert de plagen
Van Jacob af met kracht.
Wij willen door Uw macht den vijand wannen, Verstooten uit de sten,
Door Uwen naam, die Jacobs huis aanrannen,
In t oorlogsperk vertren.
Ik stel mijn hoop voortaan op geene bogen,
Noch pijl, geverfd in bloed,
Mijn slagzwaard zal mij niet beschutten mogen;
Want Gij hebt ons behoed,
Bewaard voor al die Isral bestreden,
En wist Uw erfdeel praamt.
Ons haters en verdrukkers hier beneden
Hebt Gij in t veld beschaamd.
Wij zullen blij, zoo lang men God hoort noemen,
In Uwe majesteit,
In Uwen naam met recht en reden roemen,
Tot in der eeuwigheid.
Nu hebt Gij ons verdreven en verstooten,
En Gij, o Allemacht!
Trekt nu niet meer te veld met Uw genooten,
Noch stijft ze door Uw kracht.
Gij laat ons vlin voor s vijands spits en schachten, Geeft ons hun wraak ten buit;
Gij levert ons, als schapen, om te slachten
Tot spijs, door Uw besluit.
Gij laat ons wild in t Heidendom verstrooyen,
En zonder waarde om niet,
Als slaven, dus verkoopen en verschooyen,
Benepen van verdriet.
Wij mogen, op de merkt geveild, niet gelden.
Wij staan tot een verwijt
Des nagebuurs, der boozen, die ons schelden.
Men schimpt, belacht, en bijt,
En tergt ons vast rondom, van alle zijden.
Gij stelt ons hier ten spot
En spreekwoord voor degeen, die ons benijden, Vervreemd van Jacobs God.
Zij schudden t hoofd. Ik moet mij billijk schamen. Ik duik den ganschen dag,
Sta schaamrood, want men schandvlekt ons met namen.
Al wat ons overmag
Vervolgt ons, dus afgrijselijk gebeten.
Dit komt ons op den hals,
Die Uwe wet in t minste niet vergeten,
Noch, afgekeerd en valsch,
Uw heil verbond onteeren door gebreken
Voor Uwen hoogen troon.
Ons hart is niet van U terug geweken,
Noch van Uw wetgehon.
Gij liet niet toe, dat wij in onzen wandel
Vervielen van Uw baan.
Gij hebt ons hart venerd door s vijands handel,
En tastte ons vinnig aan.
Gij liet de dood ons met haar schaduw dekken.
Vergaten wij Gods naam?
Bestonden wij, de handen uit te strekken
Naar Afgon, snood van faam?
Zou God dit niet bestraffen, zich des belgen,
Die Hartekenner heet?
Wij worden om Uw naam, als Abrams telgen,
Den ganschen dag dus wreed
Ter dood gevoerd, gelijk het schaap gerekend,
Ter slachtbank voor de bijl
Gedreven, als een offer staat geteekend,
Naar slachters wijs en stijl.
Ontwaak, o Heer t hoe slaapt Gij nu zoo lange? Ontwaak, o Godt ontwaak,
Vertoef niet tot op t uiterst, t valt ons bange,
Bescherm ons goede zaak!
Hoe keert Gij dus Uw aanschijn van ons allen,
Vergeet ons bij te staan,
In onzen nood en druk en ongevallen,
Uit nood ter dood belan?
Ik heb mijn ziel vernederd tot op d aarde.
In assche, slijk, en slof,
Daar kleef ik met mijn lichaam, zonder waarde,
Aan t slijm. O Hemelsch hof!
Waak op. en help ons in verlegenheden;
Verlos ons, lieve Heer!
Om Uwen naam, met tranen aangebeden,
Om s Hemels prijs en eer.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001