Joost van den Vondel (1587-1679)

XLIVe HARPZANG.

Aļ. 1656

Eructavit cor meum.

Een heilzaam woord, waarvan het hart ging zwanger,
Barst uit mijn mond. De geest kan nu niet langer
Geduren, of een Lofzang moet er uit.
Ik wij dan Vorst mijn werken en geluid.

Mijn tong zal mij een goude pen verstrekken,
Die hare kunst ontvouwt met luchte trekken.
O Vorst! gij spant hij onze jeugd de kroon
Der schoonheid, want geen mensch was ooit zoo schoon.

Een dauw van gunst besproeit de roode tippen
En rozen van uwe aangename lippen;
Want God omhoog, in ít eeuwig raadsbesluit.
Goot over u Zijn schoot vol zegde uit.

O dappre Vorst! nu wapen u ten strijde,
En gord het zwaard zeeghaftig op uw zijde;
Trek op, vaar voort, verwin, behoŻ het veld,
En triomfeer in ít Rijk, o braafste Held!

Uw rechte hand verdadigt u te krachtig,
Dewijl ge zijt in woord en daad warachtig,
Rechtvaardig en genadig van gemoed,
Bij ieder, die uw Hoogheid valt te voet.

Uw scherp geweer en pijlen zullen treffen
De harten, die zich boven u verheffen;
Gij zult ze, die een Koning wederstaan,
Te pletter treÍn, en uit den velde slaan.

O God! uw stoel, bepaald door tijd noch uren,
Kan dí eeuwigheid der eeuwen zelf verduren.
De schepter van uw onverwinbaar Rijk
Een schepter is van recht en van gelijk;

Want billijkheid is al uw lust en leven.
Gij hebt gestoord het onrecht uitgedreven;
Dus God, uw God. met olie u begoot
En vreugdezalf, meer dan uw lotgenoot.

Uw feestgewaad verkwikt uwe onderdanen
Door aloŽ, gemengd met myrrhetranen
En kassie-geur, zoodra, zoo menigmaal
Gij hun verschijnt uit uwe ivore zaal.

Het koninklijk en jeugdig vrouwetmmmer
Verveelt die reuk van uwe kleedren nimmer;
Die Schoonheid rent met een gemeene zucht,
En loopt om prijs u na in zulk een lucht.

De Koningin in purper en scharlaken,
Die stijf van goud en rijk borduursel kraken
En steenen, gaat aan uwe hooge hand,
Gelijk ze staat in ís BruÓgoms hart geplant,

O Dochter! hoor, zie om, en neig uwe ooren,
Om naar uw lief en zijnen raad te hooren;
Vergeet uw volk, en zet, uit zuivre min,
Uw vaders hof en stam uit uwen zin!

Dat zal den Vorst ontsteken met verlangen,
Om in zijn hart zee schoon een bruid tí ontvangen.
Want hij is toch uw Heer en God alleen,
Die overal zal werden aangebeÍn.

De Jofferschap van Tyrus, en de Grooten
En machtigsten van hoven en van sloten
Verlangen, om uw aanschijn eens te zien,
En u schenkagie en gaven aan te biÍn.

O Koningskind! hoe moedig men zou bogen
Op zooveel schoons van aanschijn en van oogen,
Op goud, gesteentí, borduursel, en gewaad;
ít Inwendig dooft al ít uiterlijk cieraad.

Nu gaat ze, en wordt gebrocht naar zijn paleizen,
Haar volgt een sleep van maagden onder ít reizen,
Geen slechte sleep, maar van het naaste bloed,
Opdat ze zoo ít gezalfde Hoofd gemoetí.

Men leidt ze blijde en juichende op den drempel,
Geleidt ze braaf, ter stede in, naar den tempel.
Haar afkomst volgt op ít vaderlijke spoor.
Zij voert ze op stoel de wijde wereld door.

Hare afkomst zal, o Heer! Uw naam verbreiden,
Van stam tot stam; de tongen zullen weiden
In ís Hoogsten lof, met ongelijk geluid,
In eenen zin, alle eeuwen in en uit.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001