Joost van den Vondel (1587-1679)

XLVe HARPZANG.

A. 1656

Deus noster refugium.

Als s vijands dreigementen
En t woeste Heidendom,
Uit zijne legertenten,
Ons da eigen, als alom
Ons zwarighen omringen,
Is God ons toeverlaat,
De macht, die hen kon dwingen,
Ons helpen in dien staat
Van jammernisse en lijden.
Dus schrikken wij gansch niet
In aangevochte tijden,
Al wankelde, als een riet,
Het aard, ijle, en al plompen
De bergen in de zee
Ten afgrond, met hun rompen
Gespreid in t lang en bre:
Als God Zijn kracht wil vergen,
Dan bruisen alle vlon,
Dan davercn de bergen,
Gegeeseld van zijn ron.
In t ruischen, in dat klatren
Des afgronds zonder grond,
In t sterk gedruisch der watren
En watervloeden stond
Gods stad al even veilig
En vrolijk en gerust,
Daar God Zijn hut zoo heilig
Heeft ingewijd met lust,
Want God, daar wij Hem bidden
En eeren naar Zijn wet,
Staat onbeweegd in t midden,
En helpt ons in t gebed,
Geofferd in den morgen
Godvruchtiglijk aan Hem.
Laat andre volken zorgen;
Want op Gods douderstem
Zij van verbaasdheid beven;
Dan storten Rijken in,
Het Hof wordt nergedreven
Met toren, trans, en tin.
De God van onzen vader,
Van Jakob, houdt ons staan,
Eau handhaaft ons te gader.
Als andren snel vergaan.
Koomt herwaart, leert eens merken
Gods daden, wonder groot,
Gods macht en wonderwerken
Rondom den wonderkloot.
Hij jaagt alle oorelogen
Ter wereld uit, zoo wijd
De zon, aan s hemels bogen,
Op haren wagen rijdt.
Hij knakt de taaye bogen.
Hij breekt het wapentuig,
En brandt den schild voor d oogen
Des krijgsmans, woest en ruig.
God spreekt om elk te leeren:
Koomt herrewaart, en ziet,
Hoe Ik, de Heer der Heeren,
In t onbesnen gebied
Bekend ben en verheven,
Van t een in t ander land,
Door wonderdan, bedreven
Met Mijne sterke hand.
De God van onzen vader,
Van Jacob, houdt ons staan,
En handhaaft ons te gader,
Als andren snel vergaan.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001