Joost van den Vondel (1587-1679)

XLVIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Magnus Dominus et laudabilis.

De Bouwheer van Jeruzalem,
Gods stad, is wijs en machtig,
Dies zij, met een gemeene stem,
Zijn grootheid looft eendrachtig,
Op Zijnen hoogen berg en rots.
Dees stad wordt opgebouwd dus trotsch,
Om stormen te verduren,
Op Sion, aan den Noorder kant,
Met blijschap van ít geheele land.
O groote Konings muren

In al haar huizen is de schat
Des rijken Gods tí aanschouwen;
Want God blijft Schutsheer van de stad,
Wiens poorten Hij holp bouwen.
De koningen van overal
Verg‚ren, binnen haren wal
Vereenigd, zien ze nader
Verwonderd met verbaasdheid aan,
Als die voor ít hoofd geslagen staan,
Gedoodverfd al te gader.

Hun vrees gelijkt den barens nood
Van eene zwangre vrouwe;
Zij treft hen, als een storm de vloot
Van Tharsis treft met rouwe.
ít Gezicht beschaamt geensins de faam
Van haren uitgebreiden naam.
Het is de stad des Heeren,
Der heerkracht. ít Is de stad van God,
Van God gehouwd met muur en slot,
Om eeuwen te regeeren.

In ít midden van Uw Heiligdom,
In ít harte van Uw Koren,
Wij Uw barmhartigheid alom
Zien voor Uw volk geboren.
Uw naam en faam en recht bekend
Doorklinken loflijk ís werelds end,
De berg van Sion zinge!
De dochter, die, uit Judaís stam,
In ít vrolijk licht des levens kwam,
Op Gods getrouwheid springe !

Versterkt de muren van Gods stad,
Omringt ze met haar veste.
Trompet ze uit toornen, hoog en prat.
Behartigt, haar ten beste,
Te sterken toren, muur, en poort,
En bouwt de huizen immer voort,
Opdat gij ít moogt verhalen
Aan alle uw afkomst, op een rij,
En uw kindskinders, stil en blij
Gezeten in haar palen.

Dan hoort elk een, hoe God
Zijn macht Hier openbaart te wonder;
Hoe heerlijk God hier, dag en nacht,
Zijn kracht toont in ít byzonder,
Eeuw in, eeuw uit, voor iedereen;
Hoe, in de hoofdstad aller steÍn,
Hij, op Zijn stoel gezeten,
Ons al genadiglijk behoedt,
Zoo lang regeert, als eb en vloed
Hun beurten niet vergeten.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001