Joost van den Vondel (1587-1679)

XLVIIIe IIARPZANG.

Aļ. 1656

Audite haec omnes.

Koomt herrewaart, hoort toe, gij volken,
Die al den aardkloot overdekt,
Zoo wijd de hemel wordt met wolken
Betrokken, als de lucht betrekt:

Roomt herrewaart, hoort toe, en luistert
Naar mij, als die hier adem schept,
Zoo wijd de nacht den dag verduistert,
En die op dí aarde Uw woonplaats hebt;

Gij, die op dí aarde zijt geboren
Uit menschen, gebootseerd uit slijk,
En menschenkindren, koomt mij hooren;
Hoort al te zamen, arm en rijk!

Mijn mond zal u de wijsheid leeren,
Met een voorzichtigheid. hij mij
In ít hart, ten lof en prijs des Heeren,
Bespiegeld heel gerust en Vrij.

Mijn oor zal op Gods inspraak wachten,
En luistren, wat gelijkenis,
Wat raadsel schiete in mijn gedachten,
Dat oorbaar voor mijn leerling is.

Ik wil mijn zet-rede openbaren,
En rijk ontvouwen door gezangk,
Gehuwd aan spel van harp en snaren,
Een goddelijken toon en klank.

Wat hoef ik voor dien dag te schrikken,
Als God het strenge vonnis velt?
Met reden: komt de dood mij prikken,
Omcingelen met haar geweld;

Ik kan mij niet voor haar verbergen;
Zij stoffen ijdel op hun kracht
En schatten, die den Hemel tergen,
Met onrechtvaardig goed en pracht.

Geen broeder kan zijn broeder vrijen,
Geen mensch den mensch met have en schat;
Geen goed verlost hem uit zijn lijen,
Hoe rijk hij is, en trotsch en prat.

Geen prijs wordt tegens iemands leven
Gewogen, noch verlost de ziel.
Hij slaaft gedurig, en moet sneven
In ít eind, nooit macht dit tegenhiel.

Hij weet een wijl van geen verrotten,
Terwijl de wijze vroeger sterft;
De dood ten leste rijke zotten
En dwazen van hun goed onterft.

Een vreemdling erft, wanneer ze reizen,
Den rijkdom, die den vrek begaf;
Hij wisselt hoven en paleizen
Voor een verrot en stinkend graf.

Die tent beschaduwt hunne neven,
Bedekt kindskinders in het stof;
Op zerken staat hun naam gedreven,
Hun titel blinkt in huis en hof.

De mensch, van God begaafd met reden,
Die mensch en dieren onderscheidt,
Kon haar gebruiken noch besteden,
Noch kende ít lot, hem toegeleÓd.

Hij scheen het vee gelijk geschapen,
Misdeeld van reden en vernuft,
En blijft aan ít zichtbaar zich vergapen,
Terwijl zijn brein in ít hemelsch suft.

Hun wandel strekt hun zelfs ter schande,
Zij scheppen lust in ijdlen roem;
Zij gaan, als schapen, achter lande
Ter slachtbank, zat van kruid en bloem.

Hun ziel vaart droef ter Helle neder,
Zij voeden wormen met hun lijk;
ít Rechtvaardig hart verkwikt nog weder,
Beheerscht de booze in ít hemelsch rijk.

Daar rijst de zon van ít ander leven,
De macht des rijken, krachteloos
En oud, wordt nu geen prijs gegeven,
In ít helsch gekerm, verdoemd en boos.

Maar God verlost mij uit de klauwen
Des Afgronds, als Hij mij onthaalt,
Laat om geen rijken ít hart verflauwen,
Hoe trotsch zijn huis vol glorie praalt;

Want, zoo hij sterft, wat kan het baten
Te pralen in het rijk bezit?
Hij moet zijn schat op dí aarde laten.
Geen aanzien volgt hem, hoe hij bidt;

Dewijl zijn geest God plag te loven,
In ís levens voorspoed, vrij van druk.
Hij loofde, o Zegenaar daar boven!
U slechts voor ít lot van aardsch geluk.

Hij volgt in ít graf zijn vaders stammen,
Daar ít eeuwig licht hem niet verschijnt,
En God hem straft met groot vergrammen,
In duisternissen afgepijnd.

De mensch, van God begaafd met reden,
Die mensch en dieren onderscheidt,
Kon haar gebruiken, noch besteden,
Noch kende ít lot, hem toegeleÓd.

Hij scheen het vee gelijk geschapen,
Misdeeld van reden en vernuft,
En blijft aan ít zichtbaar zich vergapen,
Terwijl zijn brein in ít hemelsch suft.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001