Joost van den Vondel (1587-1679)

XLIXe HARPZANG.

A. 1656

Deus, Deorum Dominus, locutus est.

De groote God, Aartsrechter aller Goden,
Verhief Zijn stem, en daagde, op Zijn geboden,
Al wat op d aarde in t rond is nergezeten,
Van daar de zon in t Oost de lucht komt meten,
    Tot daar ze in t West voorover onderzinkt,
    En, rood van gloed en goud en porper, blinkt.

Uit Sion, als het licht de wolken doorschijn,
Komt Hij, op t schoonste en heerelijkst, te voorschijn.
De Godheid komt zich levende openbaren
Met majesteit, in t oog van alle scharen.
    Hij komt niet stil geren uit a hemels poort,
    Maar met gedruisch, dat elk Hem ziet en hoort.

Een vier, een glans gloeit voor Zijn aanzicht lenen.
De donder dreunt. Een bui van hagelsteenen
Stort neder. Vier en werlicht brandt en blikkert.
De bliksem straalt door al de lucht, en flikkert
    Verschriklijk in het oog, een ieder gruwt.
    Dat onwedr is de wacht, die God bestuwt.

Als t Onwer, lang in arrebeid, God baarde,
Verdaagde Hij den hemel en al d aarde,
Van boven tot beneden, als getuigen,
Die voor Zijn macht en majesteit zich buigen.
    Hij daagt ze voor Zijn stoel, een heldre wolk,
    Tot onderscheid en schuifting van Zijn volk.

Hij spreekt: vergart Mijn heiligen te zamen,
Die zich Mijn wet en erfverbond niet schamen,
En, naar Mijn wil, godvruchtige offeranden
Mij offeren, en op d altaren branden.
    De hemel spreekt Gods recht en vonnis uit;
    D Aartsrechter zelf bestemt het hoog besluit,

De Godheid zegt: Mijn volk hoort toe; gij telgen
Van Jacob hoort, eer Wij het kwaad verdelgen,
Zal ik mijn wil ontvouwen en verklaren;
Ik ben uw God, uw God, zon lange jaren
    D Aartsvaderen bekend. Ik straf u niet
    Om offerande, als t minst, daar God op ziet.

Uw ijver heeft in t offren nooit ontbroken;
Want d outers van brandoffer doorgaans smoken
Voor Mijn gezicht. Uw ijver wijdt de rammen
Vast dagelijks aan vier en outervlammen.
    Ik eisch geen kalf, gemest op uwen stal,
    Noch bokken van uw kudde, uit weide en dal.

Ik zelf ben Hier van runderen en ossen,
En al het wild, geweid in berg en bosschen.
Ik ken en tel ontelbre vogelvluchten,
Die zich in zon en lucht omhoog verluchten;
    Ik eigen Mij al wat in beemden bloeit,
    Wat heerlijk op den akker wast en groeit.

Zoo hongersnood Mijn hongrig hart kwam knagen,
Ik hoefde u niet te bidden, noch te klagen;
Want Ik ben Heer en Eigenaar van d aarde.
En al wat zij, gelijk een moeder, baarde.
    Meent gij, dat Ik op stierenharsten wacht,
    Of bloedkelk drink van bokken, versch geslacht?

Ga, offer God godvruchtig met verlangen
Dankoffers, rijk van lof en lofgezangen.
Betaal Hem uw beloften. Roep gestadig
Hem aan in nood, dat Hij u begenadig:
    Dan wil ik u verlossen; op die stof
    Zult gij alom verheffen s Hemels lof.

Maar tegens hen, die t hoog gebod vertreden,
Spreekt God: waarom wilt gij Mijn wet verbreeden,
Mijn heilverbond ontvouwen met uw lippen,
Dewijl uw hart Mijn tuchtles poogt t ontglippen,
    Mijn heilig woord, gebod en wil onteert,
    Mijn zuivre wet zoo stout den rug toekeert?

Ziet gij een dief, en vijand van Gods orden,
Gij spoelt, en wenscht zijn roofgenoot te worden.
Gij draagt uw deel in overspel, nog grover;
Van boosheid loopt uw mond te toomloos over.
    Uw losse tong, van schalkheid nimmer vrij,
    Breidt louter list en zielbedriegerij.

Wanneer gij zit bij uwe lasterbenden,
Dan moet uw tong uw eigen broeder schenden,
Uw moeders zoon betichten met veel schennis,
Terwijl Ik zwijg; dan acht gij Mij uw kennis
    En u gelijk: maar k zal u t zijner tijd
    Eens toonen, op Mijn rechtsdag, wie gij zijt !

Behartig dit, en let eens op wat beters,
O reukelooze en dwaze Godvergeters !
Eer gij met kracht ter vierschaar wordt betrokken,
Daar niemand u verlosse uit s Hemels wrokken.
    Laat uw gemoed mij eer inwendig bin.
    Hier legt de baan, waarlangs gij God kunt zien.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001