Joost van den Vondel (1587-1679)

LIe HARPZANG.

A. 1656

Quid gloriaria in malitis.

    O, aartsverrader! die dus zwelt
Van hovaardije, en op uw macht,
Door moord en wreedheid en geweld
Verworven, roemt en elk belacht;
    Hoe stoft gij dus op uw beleid?
Uw tong, geslepen als een vlim,
Breidt lagen, als de schaduw scheidt,
Tot dat de zon duikt op de kim.
    Gij schept meer lust in ongen,
Dan in ontfermen. Logenspraak
Te spreken lust u, vroeg en sp,
Veel meer dan waarheid, vrij van wraak.
    O schalke tong, die nimmer rust,
En u op boze lagen scherpt!
Gij velt onnoozelen met lust,
Die gij met vreugd ter aarde werpt.
    Hierom zal God ten leste u me
Verdelgen in den grond, en fel
Verjagen uit uw hutte en ste,
In ballingschap, als een rebel.
    Hij zal, met tak en wortel, u
Uitrooyen uit het vaderland,
Daar gij uw adem nog tot nu
Geschept hebt in gerusten stand.
    Oprechte harten zullen t zien,
En schrikken, en belachen hem,
Die elk wo trappen en gebin.
Zij spreken met n mond en stem:
    Dit is de man, die God niet koos
Tot zijn Beschermheer, als t behoort,
Maar bouwde zijne hoop altoos
Op rijkdom, die den dwaas bekoort;
    Die, opgeblazen en vol wind,
Zich op zijne ijdelheid verliet,
En, onverzet en onbemind,
Al wat hij overmocht verstiet;
    Maar ik, gelijk een vruchtbre olijf,
Sta weeldig in Gods hof geplant,
En bod me aan Gods gen, die stijf
Mij eeuwig handhaaft met haar hand.
    Ik zal U loven t aller tijd,
Die trotschen uitrooit, vromen loont;
Ik hoop op U, in nood en strijd,
Die t heilig volk met zegen kroont.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001