Joost van den Vondel (1587-1679)

LIIe HARPZANG.

A. 1656

Dixit insipiens in corde.

    D onwetende en bedorve rot
    Sprak in haar hart: daar is geen God,
Die voor de wereld zorge draagt.
Legt af de vrees, die dwazen plaagt,
En volgt al wat uw hart behaagt.

    Uit dezen stinkpoel rees een pest,
    Die t al bedorf van Oost tot West;
De menschen, langer niet belan
Voor straffe, van de rechte baan
Den weg der dolinge inne slaan.

    Men schimpt in dees besmette lucht
    Met eerbaarheid en deugd en tocht,
Het onkruid wast, en wint vast veld.
Het vruchtbre zaad verstikt en smelt,
Tot dat men geene vromen telt.

    De Godheid zag, van s Hemels tin,
    Op s menschen werk, op ieders zin
En wit, uit s Hemels heldren dag,
Of hij nog nen wijzen zag,
Of die naar God zocht, als men plag.

    Zij waren al van d eerste stut
    Geweken, altemaal onnut.
Het onkruid wast, en wint vast veld.
Het vruchtbre zaad verstikt en smelt,
Tot dat men niet n vromen telt.

    Och! wordt dees goddelooze schaar
    Haar gruwelen niet eens gewaar,
Die mijne kudde dus verteert,
Mijne arme schapen stroopt en scheert,
En dagelijks, als spijs, verteert.

    Zij riep den naam des Hoogsten niet
    Om hulp aan, toen zij, als een riet,
Angstvallig beefde, en zich bevond
Van vrees getroffen en gewond,
Daar billijk niet te vreezen stond;

    Want God verstrooit de beenders van
    Het Godvergeten raadsgespan,
Dat menschen slechts naar d oogen ziet.
Zij gaan ter schande met verdriet;
Want God belacht ze, en echt ze niet.

    Wie zal uit Sion Jacobs zaad
    Herstellen in behouden staat?
Het huis van Jacob, Isral,
Zal juichen met gezang en spel,
Als God t gevangen volk herstell.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001