Joost van den Vondel (1587-1679)

LIIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Deus, in nomine tuo salvum.

Beschut me, o Heer!
Door Uwen grooten naam alleen,
Gelijk weleer,
En koom door Uwe macht
Den rechterstoel bekleÍn,
Op mijne klacht.

O Heeer! verhoor
Mijn jammerklachten en gebeÍn,
En neig Uw oor
Genadig naar de stem
Van ít hart, dat hier beneÍn
Is in de klem;

Wat vreemden staan
Mij tegen, en een sterke rot
Rukt op mij aan,
En mikt met spies en boog,
Ontziet Gods macht, noch God,
Noch ít alziende oog;

Ai, ziet en merkt!
God helpt en handhaaft me in veel strijds.
Gij, die mij sterkt,
Keer ís vijands vloeken op zijn hoofd;
Verdelg ze, o Heer! in tijds,
Als Gij belooft.

Gewillig zal
Ik offeren op Uw altaar,
Met blij geschal
Uw naam verheffen aan de lucht,
O goedheids bron en a‚r
Waartoe ik vlucht;

Dewijl Ge mij
Verlost uit druk en angst en zorg,
Ik mijn partij
Zie vallen door Uwe ongen‚,
Daar blijde, als uit een borg,
Ik ít gade sla,


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001