Joost van den Vondel (1587-1679)

LVIIIe HARPZANG.

A. 1656

Eripe me de inimicis meis.

O God! nu hoef ik bijstand
    Alleen van U.
Ontruk me mijnen vijand;
    Verlos me nu,
In t nijpen van mijn lijden,
Van al die mij bestrijden.

Ontrukt me nu den boozen,
    Vol overmoed!
Beho me voor godloozen,
Geverfd in bloed;
Want zij mij sterk bespringen,
En in hun netten vingen.

Nog heb ik recht gehandeld,
    Hun niet misdaan,
En onbesmet gewandeld
    Op uwe baan.
Gemoet me, aanschouw me nader,
O God van onzen vader!

Verschijn eens uit de wolken,
    Dat elk U ziet,
En oordeel alle volken.
    Gij zult U niet
Ontfermen over allen,
Doe vromen overvallen.

Zij zullen zich te spade
    Bekeeren, die
Ik, door Uwe ongenode,
    Verhongerd zie,
En uitgekeerd, als honden,
Die anderen verslonden.

Zij zullen om de muren
    Van Uwe stad
Gaan dwalen, nergens duren,
    Van pad tot pad,
En kermen, heele nachten,
Met droeve jammerklachten.

Een zwaard stak in hun woorden.
    En hunnen mond,
Waarme zij andren moorden.
    O booze vond!
Zij fluisterden in d ooren:
Wie kan dien bloedraad hooren?

Maar gij zult zelf beschimpen
    Der boozen raad;
Die zal van doodschrik krimpen,
    Voor s Hemels haat.
Uw macht zal geen geslachten
Der goddeloozen achten.

Ik wil me op U verlaten,
    En op Uw kracht.
Gij trekt om die mij baten
    Voor mij te wacht.
Uw hemelsche genade
Beschut me niet te spade.

God zal mij openbaren,
    Hoe hij t geweld
Der aertsgeweldenaren
    Ter nedervelt.
Och! demp ze niet te zamen,
En teffens met hun namen.

Verstrooit ze, door t vermogen
    Van Uwen arm!
Mijn schutsheer uit den hoogen!
    Verstrooi dien zwarm;
Zet ze af, die Gij, als zonen,
Gezet had op hun tranen!

Gij straft ze om hunne lastren,
    Die lip en mond
Bevlekken, door t verbastren
    Van uw verbond.
Man vangt ze aan alle zijen,
Om hunne hovaardijen.

Zij werden, om hun vloeken
    En logentaal,
Versmaad in alle hoeken,
    En altemaal
Verdelgt in uwen tooren,
En gaan geheel verloren.

Dan zullen zij aanschouwen,
    Dat Jacobs God
Al die op Hem betrouwen,
    Gelijk zijn lot,
Verkiest, en houdt in waarde
Aan t uiterste der aarde.

Zij zullen zich te spade
    Bekeeren, die
Ik door Uwe ongenade
    Verhongerd zie
En uitgekeerd, als honden,
Die anderen verslonden.

Zij zullen om de muren
    Van uwe stad
Gaan dwalen, nergens duren,
    Van pad tot pad;
En kermen, heele nachten,
Met droeve jammerklachten.

Men zal ze zien verjagen,
    En West en Oost
Verhongerd hooren klagen,
    Daar ze ongetroost
Gaan morren onverzadigd,
Van God noch mensch verdedigd;

Terwijl hen plagen treffen,
    Zal ik Uw kracht,
O Heer! met zang verheffen
    Uit al mijn macht,
En juichende, in het rijzen
Van t licht, Uw goedheid prijzen;

Dewijl Gij mijn beschermer
    En toevlucht zijt,
Mijn troost en mijn ontfermer,
    In druk en strijd.
k Zal U, mijn hulp daar boven!
Met zang en snaren loven.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001