Joost van den Vondel (1587-1679)

LIXe HARPZANG.

A. 1656

Deus, repulisti nos.

Gij hebt, o Heer! ons al gelijk
Van Uw gezicht
Verstooten, en het gansche rijk,
Waarvoor elk zwicht,
Verwoest door s vijands handen,
In t branden
Van Uwe wraak,
Die met vermaak
Ons voerde in vreemde landen.

Ten laste hebt Gij u ontfermd
In onzen nood,
En Uwe stammen, afgekermd,
In Uwen schoot
Ontvangen, vrij van strikken
En schrikken,
Na lang bederf
Hersteld in t erf,
Daar zij hun hart verkwikken.

Het gansche land, toen
Gij de stut Van Uw gen
Den grond ontrukte, heeft geschud,
En tot elke sch
Gedaverd, dat de reten
En spleten
Verslonden stal
En vee en al,
Wat neder werd gesmeten.

Genees de wonden van dan Staat,
Gelijk een arts,
Die vier en ijzer neemt te baat,
En, na veel smarts,
Het krankbed heelt, dat kranken
Hem danken;
Dewijl Hij trouw
Hen heelen wo
Door pijn en bittre dranken.

Gij gaaft, naar Uw gestrengheid, elk
Een harde proef,
En gebonkt ons heilzaam dezen kelk
Des druks zou droef,
En heelde alle ons gebreken;
Een teeken
Dat, wie U vrucht,
Uw pijlen vlucht,
Van U niet wordt versteken.

Beho mij dan door Uwe hand;
Verhoor mijn be,
Opdat ik, hoofd en Heer van t land!
De vromen me
Mag troosten en bevrijden,
In lijden
En ongeluk,
En nood en druk,
In t schokken van de tijden.

God heeft door mijnen mond beloofd,
En sprak in t end:
k Zal Sichem troosten, als haar hoofd,
En Jacobs tent
En landhut niet vergeten,
Maar meten,
Op Mijn besluit,
Haar palen uit,
Tot rust voor d ingezeten.

Manassas landschap, vlek en stad,
En Efraim,
Vol dapperen, en Galad,
Hoe hoog men klimm,
Hoe wijd en zijd zij strekken,
Zijn plekken
Mij lief en waard,
Om Jozefs aard,
Mijn dienaar, zonder vlekken.

Ik gaf aan Juda kroon en staf,
Tot s volleks tucht,
Waaronder Moab zich begaf,
Een pot, vol vrucht
En spijs, niet licht te breken.
De streken
Der Idumen
Zal Ik vertren,
Da Filistijn Mij smeeken.

Wie voert ma nu tot Edom toe,
En in de stad,
Die, sterk van muren, op haar ho,
Elk troost zoo prat?
Zult Gij t, u hoog geprezen!
Niet wezen,
Die ons verstiet?
Wel, trekt Ge niet,
En leert ze ons heerkracht vreezen?

O eenige Verlosser! sta
Ons bij in nood;
Want menschen schutten niemands sch:
Zij staan te bloot.
Uw macht kan ons bevrijden
In t strijden;
Gij kunt alleen
De hoop vertren
Van al, die ons benijden.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001