Joost van den Vondel (1587-1679)

LXIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Deus, Deus meus, ad te.

O God! in ít krieken en genaken
Des dageraads, als ik
Aanschouw den eersten blik
Van ít licht, begint mijn hart tí ontwaken,
En ziet U voor mij staan,
En ziet de Godheid aan,
Begint dan wederom te blaken
Van loutren minnegloed.
O straal van mijn gemoed!

Mijn ziel heeft naar de bron der bronnen,
Naar God, gedorst met smart.
Mijn opgetogen hart
Mijn groot verlangen overwonnen,
Naar U, o God! gesnikt,
Als een woestijn verstikt,
Daar vliet noch brona‚r vloeyen konnen,
De heide uit ieders oog
Verdord legt, wild en droog.

Zoo kwamen mijn gedachten dringen
In ít hemelsch heiligdom,
Aandachtig, stil, en stom,
Verrukt in mijn bespiegelingen
Van Uwe almogendheid,
En eere en majesteit,
Zoo hoog als mijn gedachten gingen,
Te vatten dieper dan
Mijn oogstraal reiken kan;

Want Uw barmhartigheid te smaken
Aandachtig en gerust,
Dat is een schat en lust,
Die ít leven in deze aardsche daken
Te boven gaat, zoo wijd
Als eeuwigheid den tijd,
Het eeuwig, van geen punt te raken.
Mijn lippen! hier is stof
Te weiden u Gods lof.

O God! zoo wil ik, u mijn leven,
U loven, dag en nacht,
En blijde, uit al mijn macht,
Met harte en handen opgeheven,
Verheffen Uwen prijs,
Schakeeren mijne wijs
Door zulk een rijkdom, mij gegeven.
Wat pak houdt mij beneÍn?
Dit zoek ik, dit alleen.

Mijn ziel zal bij Gods lof gedijen,
En groeyen zonder smet,
Gezond, gerust, en vet,
Mijn mond en lippen God belijen
Met blijschap onverlet.
Heb ik U op mijn bed
Geloofd, eer ít licht ons kwam verblijen;
ík Zal U, mijn noodhulp! graag
Meer offeren bij daag.

ík Zal in de schaduw van Uw schachten
Ophupplen, nimmer schuw.
Hoe hangt mijn hart aan U!
Uw rechte hand, zoo sterk van krachten,
Behoedt en handhaaft mij.
De haat en razernij,
Die in hun lagen op mij wachten,
Bevonden in der daad,
Hoe los hun toeleg gaat.

Zij worden zonder eer begraven,
En varen nederwaart,
Gesneuveld door het zwaard,
Ten aze van de Vos en raven.
De Koning juicht met God,
Geprezen van zijn lot-
En erf-genooten, die zich gaven
In ít heilige verbond.
Zoo stopt hij ís vijands mond.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001