Joost van den Vondel (1587-1679)

LXIIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Exaudi, Deus, orationem meam.

    O God! verhoor nu mijn gebed,
    Wanneer ik smeeke en roepe, red
Mijn ziel, ontsla ze van de plagen
Des vijands, die mij komt belagen.
    Gij hebt ze menigmaal bewaard
    Voor zijnen bloedraad, stil verga‚rd,
Om uit te werken Zijne boosheid.
Zij wetten, listig en vol loosheid,
    Hun tonge, scherper dan een zwaard,
    En spanden, stout en onvervaard,
Alle eensgezind, de taaye bogen
(Een bittre zaak) naar hun vermogen,
    In ít heimlijk, om, met beter kans,
    Het hart des onbevlekten mans
Te raken, eer hij ít kon beseffen.
Zij zullen onverhoed hem treffen,
    En niet eens schrikken voor dat stuk.
    Zij hebben tot zijn ongeluk
Het heilloos vonnis red begrepen,
En spraken, lastig en geslepen,
    Of zij hun boze strikken nog
    Verbloemen konden met bedrog:
ĄWie zal dit merken? Zí onderstonden
Te polsen, of ze een doodschuld vonden
    In zijnen omgang, eene smet
    In zijnen wandel, tred op tred,
Maar polsten ijdel, als de blinden,
En konden geene verwe vinden,
    Die hun verraad een verwe gaf.
    Dí onnioozle troost zich deze straf,
Geeft Gode prijs, en wenscht, dat dí eere
Des Oppersten hierdoor vermeÍre.
    Dus recht dit gruwzaam moordbesluit
    Niet meer dan kinderpijlen uit.
Zij worden door hun eige tongen
Veroordeeld, en met kracht gedwongen
    Tí ontschnldigen dí onnoozelheid;
    Zij staan verbaasd, nu hun beleid
Te kort schiet, moeten al te zamen
Zich voor het oog der menschen schamen,
    Die ít zien en merken. Ieder vlucht
    En vreest en heeft op dit gerucht.
Men hoort Gods wonderwerken dondren.
Nu kennen zij de groote woudren
    Van Zijne daden. Dí uitkomst leert,
    Hoe God het al tot glorie keert.
Nu zullen alle oprechte vromen,
Verheugd in God, geen haters schromen.
    Zij zullen hopeu op de wacht,
    Die schildwacht houdt voor ít vroom geslacht,
En alle oprechten, hier verschoven,
Den naam des Allerhoogsten loven.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001