Joost van den Vondel (1587-1679)

LXIVe HARPZANG.

A. 1656

Te decet Hymnus in Sion.

O God! t is billijk, dat ons stem
U love op Sion met gezangen,
En elk, in Uw Jeruzalem,
Zijn kerkbelofte met verlangen
En offerschulden rijk betaal.
Verhoor, naar Uw belofte, ons bede,
Zoo zal, wat leve en adem haal,
Uw naam aanbidden, hier ter stede.

Der andren wederspannigheid
Heeft ons met zich ten val getogen;
Maar Uw verzoenbre Majesteit
Verzoent ons wer uit mededoogen;
Ter goeder ure zag hij t licht,
Dien Uw gen heeft uitgelezen
Om, in Uw tenten, Arons plicht
T aanschouwen, daar Gij wordt geprezen.

Wij zullen, in Uw Heiligdom
Verzaad, van rijkdom overvloeyen;
Uw kerk, vol heiigheid alom,
Vol wonderen, zal t recht zien bloeyen
In t harte, dat U onbesmet
Hier dient en eert, naar Uw behagen
En wil en ingestelde wet,
Uw volk en stammen voorgedragen.

Verhoor ons, Heer t die ons behoedt,
Met eenen allerlei geslachten,
Die, wijd van over Zee, vol gloed,
U zoeken, en hun heil verwachten
Uit Uwen schoot, van Uwe hand,
Die machtig is, en op hun gronden
Het hemelhoog gebergte plant,
Aan t aardrijk onverwrikt gebonden.

Gij, die met macht zijt toegerust,
Beweegt den afgrond van de watren,
Die bruisen luid, van kust tot kust.
Men hoort de watervallen klatren,
De stroomen ruischen op Uw woord.
Zij overschrijden peil en palen,
En kennen oever nochte boord,
Als zij, te lande in, adem halen.

De volken schrikken, die, op t land
Gezeten, uwe donders hooren,
Uw teekens zien, de lucht vol brand
En bliksem, voorbon van Uw tooren,
Gij zijt het, die hun hart verblijdt
Met d op- en ondergaande stralen
Der zonne, en Vader van den tijd,
En licht en schaduw, die niet talen.

Gij slaat Uw nog op elks gebrek,
Bezichtigt d aarde, en schenkt ze Uw zegen
Volop, dat ze ons een tafel dekk
Met vee, en vruchten na de regen.
Uw voorzorg giet de killen vol,
En discht ons spijs op, dat elk huppelt,
Zoo dikwijl d ar op d akkers zwol,
Daar t honig dauwt en zuivel druppelt.

Gij drenkt de vore op t dorre veld.
De kruiden groeyen, dat ze piepen.
Geen akker werd met dorst gekweld,
Zoo dik de greppels overliepen
Van verschen regen uit de lucht.
Gij kroont het jaar met Uw genade,
Als t land verkwikt, en vee en vrucht
Gedijt en toeneemt, vroeg en spade.

De wildernissen worden vet
Van vrucht. De heuvls gaan ten reye.
De ram en kudde, niet besmet
Van evel, scheren klip en heye,
Gedijen hij het geurig kruid.
De dalen staan gedost met koren,
En loven God met zoet geluid.
Zoo wordt Gods lof alom geboren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001