Joost van den Vondel (1587-1679)

LXVIIe HARPZANG.

A. 1656

Exurgat Deus, et dissipentur.

Rijs op, en koom te voorschijn;
Rijs op, o sterke Godl
Opdat Uw klaarheid doorschijn,
En jage al s vijands rot
En heer voorhene, dat het zwicht,
Met zwaard en boog,
Voor t grimmig oog,
Den straal van Uw gezicht.

De boosheid moet verdwijnen,
Gelijk een rook in t veld,
Als t weeke was voor t schijnen
Van vier en vlamme smelt;
Zoo moet de landvloek, die U haat,
En afgekeerd
Uw wet onteert,
Vergaan met al zijn staat.

Laat vromen, die U eeren,
Nu juichen voor Uw troon,
En vrolijk banketteeren,
Elkandre op feesten non
Met blij schap, omdat God regeert,
En, in Zijn hof
Onthaald met lof,
Alle eeuwen triomfeert.

Heft aan, om God t ontvangen,
Een goddellijk muzijk;
Onthaalt met zegezangen
Den Koning in Zijn rijk!
Bereidt den toegang tot Zijne eer,
Hij rijdt op ran
Ten Westen aan.
Zijn naam is God, de Heer.

Nu juicht Hem toe te gader!
t Geweldenaars gespan
Verschrikt voor God, den Vader
En momber, voogd en man
Van onderdrukte wees en weeuw,
Die ieder recht,
Haar pleit beslecht,
En handhaaft eeuw op eeuw.

Hij wordt in t hart gesloten,
Als in Zijn Heiligdom.
Hij roept Zijn huisgenooten,
Verbindt ze van alom
Tot n gezin, door nen hand,
Gerust en stil,
Naar s Hemels wil,
Gezegend door Zijn hand.

Hij, hoven wien geen sterker
Zijn volk bevrijdt en bergt,
Ontsluit s gevangene kerker,
Verlost ook die hem tergt,
Verkwakt het hart, dat, dor en droog,
In wildernis
Begraven is,
Uit aller menschen oog.

Toen Gij Uw kudde leidde,
En voortrokt van de zee,
Door wilde woeste heide,
Heeft d aarde op uwen tre
Gedaverd, en de lucht gedauwd
Van hemelsch man,
Dat Gods gespan
En volk in t leven houdt.

De berg, daar Mozes klavert
De kruin op, om de Wet
T ontvangen, heeft gedaverd,
Gedreund voor Gods trompet,
Die uit den donder nederklonk,
Uit vier en licht
Van Gods gezicht,
Dat elk in d oogen blonk.

Uw erfdeel wordt gezegend,
Wanneer Gij, vroeg en sp,
Uit zwerk en wolken regent,
De dorheid uit gen
Bevochtigt met een verschen dauw,
En t land, als t rijt,
Verdroogt en splijt,
Stoffeert met rijken bouw;

Dan gaat het vee te weide,
En scheert het nieuwe gras;
Dan schaft Ge, op veld en heide,
Nooddruftigen gewas
En koren, rijk in overvloed,
Hun toegestort
Ten troost; dan wordt
Het hongrig hart gevoed.

God zegent Zijn Gezanten
Met wijsheid, raad, en kracht,
Om Zijnen naam te planten;
De Koning, groot van macht,
Hij God bemind, zijn huis verrijkt,
Als t volk den roof
Van t ongeloof,
Met vreugd en blijschap, strijkt.

Indien men rust in t midden
Van t oud en nieuw verbond,
En aanhoudt, God te bidden,
Te dienen t aller stond,
Dan blinkt Gods volk ten hemel vlug,
Als zilver straalt
En goud, gemaald
Op s duiven hals en rug.

Als d Almacht uit den hoogen
De koningshoofden stelt,
En zalft, door t hoog vermogen,
Een ieder in zijn veld,
Op Selmon, daar Hij heerscht, en zit
Op Zijnen berg,
Zoo vet als merg,
Dan blinkt de Moor sneeuwit.

Gods berg, vol sneeuws, vloeit over,
Is stremselrijk en vet.
O bergen, groen van loover
En gras! waarom verzet
Gij u hier tegen om den prijs?
Gods berg alleen,
En anders geen,
Gelijkt het Paradijs.

Hier heeft Hij lust te waren,
Te wonen zonder end.
Toen God kwam afgevaren
In Zijne wagentent,
Met tienmaal duizend tot gele,
Naar Sina, Gods
Gewijde rots,
Ging t Engelsdom ten rei;

Maar Gods gezalfde en brave
Koomt heerelijker voort,
Verrezen uit dan grave,
Verweldigt s Afgronds poort,
Vaart zegenrijk, met zijnen roof,
En s kerkers slot,
Omhoog naar God,
Die hem onthaalt ten Hoof.

Hij schenkt hem rijke schatten,
Ten dienst voor ieder een,
Voor hun ook, die niet vatten,
Dat God in t vleesch verscheen.
Geloofd zij God, die dag op dag
Ons baant het pad
Naar s Hemels stad,
Daar ieders hoop op zag.

Dees God is ons Behouder
En Heiland in den nood.
Hij voert, op Zijne schouder,
De poorten van de dood,
En slot en grendel Hemelwaart, Outrukt ons al
Dit jammerdal.
Geen doodsklauw hem vervaart.

Hij kneust de bekkeneelen
Der vijanden, en slaat
Die, tegens zijn bevelen,
Verandren in het kwaad
De kruinen in, en neemt hem wis,
Die boos en stout
Den onweg houdt,
In dikke duisternis.

Hij zegt: Ik heb besloten,
In s Hemels raad; alre
Van Basan hen te stooten,
Te plompen in de Zee,
Opdat mijn volk zijn voeten vlekk,
En verwe in bloed,
De hond verwoed
Het bloed des vijands lekk.

Men zag, o God! U halen
Als Koning in het Koor,
Daar heilighen uit stralen.
De Vorsten traden voor
Uw wagen in den maagderei,
Op snaar en trom,
Bazuin en bom,
Kornet en kerkschalmei.

Looft Godl daar gij te gader
Vergadert; zingt Hem lof,
Die vloeit, gelijk eene ader,
Uit Jacob, rijk van stof.
Daar treedt de jonge Benjamin,
Zoo groot van geest,
En eert Gods feest
Vol viers, verrukt van zin.

Daar ziet men Juda pralen
Met schepter, krone, en pracht,
En Napthali zijn palen
Verlaten, en t geslacht
Van Zabulon vol ijver tren,
Niet flauw noch knel,
In dit gewoel,
Het hooge feest beklen.

Beveel dit, in den hoogen,
Uw macht, o Godheid! sterk
In ons, door Uw vermogen,
Uw aangevangen werk!
Gekroonden, met gemeenen stem, Vereeren U
Hun gaven nu,
In t nieuw Jeruzalem.

Bestraf de woesten stieren
Zijn nu te hoop vergard,
Daar t volk, misbruikt als dieren,
Van God en ren veraart,
Om uit te sluiten, ougetoefd,
Wat u belijdt,
En in dien strijd,
Als zilver, wordt beproefd.

Verstrooi de krijgsgezinden!
Gezanten komen uit
gypte Uw tempel vinden;
De Mooren, zwart van huid,
Verzoenen zich met s Hemels troon,
Nu t nieuwe licht
Hun blind gezicht
Verlicht, zoo klaar en schoon!

Zingt God, o macht der aarde!
Zingt God, zingt onzen God!
Die d eerste, naar zijn waarde,
Zich zet in t Hemelsch slot,
En Oostwaart stijgt van boog in boog,
En dringt al door,
Van koor in koor,
Uit aller Englen oog.

Merkt op, hoort toe, en luistert:
Hij dondert fel en schel,
Eert God, die, nooit verduisterd,
Zijn glans in Isral
Liet schijnen. Ziet hem uit de wolk,
 Zoo machtig groot
En heerlijk, bloot
Verschijnen voor zijn volk.

De God der vadren, veilig
Op s Hemels troon, verklaart
Zijn macht in elken heilig
Te wonderlijk. Hij baart
Geweld en macht, als opperhoofd,
In zijne schaar
Te wonderbaar.
Hij wordt in top geloofd.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001