Joost van den Vondel (1587-1679)

LXVIIIe HARIíZANG.

Aļ. 1656

Salvum me fac, Deus.

O, goedertieren Vader!
BehoÍ me toch, en berg Uw eenig zaad;
Ik was de dood nooit nader,
Nu ít water wast en op de lippen staat.
Ik ben in slijm gezonken
Tot aan den hals, en voel geen grond om laag,
Ik smoor, bijkans verdronken
In zee. De storm verrtekt me vlaag op vlaag,
Ik riep in zwarigheden
Mijn keel dus heesch, en zag mijne oogen blind;
Terwijl ik van beneden
Uit hoop mijn oog naar God hief, die mij mint.
Mijn haters, die mij kwellen
Ontschuldiglijk, en zonder recht en reÍn,
Zijn eer dan ít haar te tellen,
Dan haren, die mijn bekkeneel bekleÍn.
De boozen, die hoosaardig
Mij zonder schuld dus wassen over ít hoofd,
Nu stouter, onrechtvaardig,
Mij eischen ítgeen ik niemand hebbe ontroofd.
Gij hebt het afgekeken,
Wat dwaasheid mij, u God ít ten schimp gedijt.
Voor U zijn geen gebreken
Bedekt, die elk mij toeschuift en verwijt.
Maar laat, o Heer ít mijn lijden
En jammer niet beschamen noch verslaan,
Die Uwen naam belijden,
En op Uw macht en hulp, als pijlers, staan;
Dat zij niet troostloos zwichten
Om mij, dus straf mishandeld en te fel,
Want zij hun heilhoop stichten
Op U, o stut van ít stamhuis IsraŽl!
Gewislijk Uwenthalve
Verdraag ik nu zoo veel schandaal en smaad;
Mijn aanschijn, met geen zalve
Begoten, treurt, verdrukt, beschimpt, gehaat.
Ik schijn hij mijnen broeder
Een vreemdeling, zijn oogen onbekend;
Bij dí afkomst van mijn moeder
Een uitheemsch gast, van ís werelds uiterste end:
Want lust tot Uw tapijten
En heiligdom verslond, verrukten mij.
Wat boozen U Verwijten,
Dat lastren treft mijn hart, om U in lij.
Indien ik ít hoofd bedekke
Met assche, en vast, dat strekt me tot verwijt;
Zoo ik een zak aantrekke,
En haren kleed, men schimpt met mij van spijt.
Het poortgerecht, aan ít schimpen,
Belacht en maalt me uit schimp te schendig af.
Die dronken ít licht zien krimpen,
Zijn zingende beholpen met mijn straf.
Ik midlerwijl met smeeken
Verbid ze, die mij kwetsen, zonder schuld,
Houde aan met U te spreken,
Bevele, o God! U dí uitkomst met geduld.
Verhoor dan mijn gebeden
Naar Uw gen‚, die rijk is zonder end.
BehoÍ den aangestreden,
En sterk Uw woord en waarheid, wijd bekend!
Verlos mij uit den slijke,
Eer ik versmoorí! Bevrij me voor den haat,
En rad, eer ít hart bezwijke,
Mijn leven uit dien afgrond, zonder maat;
Dat mij geen storm verdelge,
Daar zulk een stroom en zeegetijde gaat,
Geen diepte mij verzwelge,
De put zijn mond niet sluit, die open staat.
Verhoor me, o Heer! daar boven,
Om Uw gen‚, die eindloos is en groot.
Begunstig den verschoven
Naar Uw gen‚, die neÍrvloeit uit Uw schoot.
Verhoor me snel in lijden,
Eer mij de nood verslinde en ondertrekkí.
Keer ít aanzicht niet ter zijden,
Noch wil Uw kind niet aanzien met den nek.
BehoÍ mijn ziel voor ít stranden,
Verlos haar uit de barning van den vloed;
Ontruk ze ís vijands handen,
En ís vijands arm, en zoo veel wederspoed.
Gij kent alleen mijn schanden,
Ontsteltenis, verwijt, schandaal, verdriet.
Gij kent, die mij aanranden.
Van hun verwacht ik leed, en anders niet.
Ik zocht een medelijder,
En vond geen troost. Ik werd met gal gevoed.
Mijn hater en benijder
Schonk me edik, toen mij dorstte, flauw te moedí,
Hun eigen disch gedije
Hun tot een strop, vergeldinge, en schandaal;
Geen licht hun oog verblije,
Dat zij gebukt naar ít graf gaan altemaal!
Aartswreker! giet Uw tooren
Op henliÍn uit, en tast ze razende aan.
Men zie hun stem verstoren,
Hun huizen woest en doodsch en ledig staan;
Want die Gij hebt geslagen,
Vervolgden zij, vermeerden, slag op slag,
Zijn wonden en zijn plagen;
Dat schenk hun in, ten spiegel en ontzag!
Vermeerder hun misdaden,
En stapel sta‚g het een op ít ander kwaad,
Dat ze uw gerechte paden
Niet wandelen, noch zij, noch al hun zaad.
Wensch ze uit den boek van ít leven,
Dat eeuwig duurt, en nimmer zij hun naam
Met vromen opgeschreven,
Verdelg ze met hun bloed en naam en faam
Ik hen wel arm en drukkig;
Maar Gij, o Godt behoedt mij. ík Zal met lof
Uw grooten naam gelukkig,
Met zang op zang, verheffen op dees stof.
Dat zal U meer behagen
Dan eene vaars, wiens horens door de huid
Eerst botten alle dagen,
Wiens teÍre klauw allengs nog groeit en spruit.
Laat Uw gewillige armen
Dit aanzien, zich verheugen, Zoekt verblijd
Hem, die u kan beschermen.
Zoo leeft uw ziel in Gode zonder strijd;
Want God verhoort de Zijnen
En dí armen, breekt ís gevangens handen los,
Laat al wat leeft verschijnen,
Hem loven aarde en hemel, zee en bosch.
God waakt voor Sions muren,
En sterkt de stem van Juda voor ít bederf,
Dat zij de nijd verduren,
Daar woont dí oprechte, en erft het land ten erf.
Het heilig zaad der vromen
Bezit het land gerust in volle vreÍ,
En al die na hun komen,
Verbonden aan Gods dienst, bezitten ít meÍ.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001