Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXe HARPZANG.

Aļ. 1656

In te, Domine, speravi.

Ik bouwde op U, o Heer!
De hoop van mijn behoudenisse,
Dies sta ik, wat mij anders misse,
Niet schaamrood, nu noch nimmermeer.
Verlos me van al wat boosaardig
Mij onderdrukt, want Gij rechtvaardig
Den booswicht naar zijn boosheid loont,
Onnoozelen bevrijdt en kroont.

BehoÍ me, neig Uw oor
Genadig naar Uw knechts gebeden.
Verstrek Uw dienaar, dus bestreden,
Een wacht, van achter en van voor,
Een vaste Vrijburg en Beschutter.
Gij zijt mijn toevlucht, onderstutter,
En steenrots. Ruk me uit ís vijands macht,
Die wetteloos Uw wet veracht.

Gij sterkt me met geduld,
En waart, van mijne jonge jaren,
Mijn hoop en troost. Terstond na ít baren,
Toen mijne moeder wierd vervuld
Met blijschap, ik begon te laven,
Hebt Gij mijn zenuwen gesteven,
En waart, van ís moeders lichaam aan,
Gewoon, mij rustig bij te staan.

Dat gaf me rijke stof,
Van U te zingen en te dichten;
Nu schijn ik, dus geraakt aan ít zwichten,
In dí oogen van het volk en ít hof,
Een wonderspook, en gansch te sneven;
Maar Gij zult kracht en sterkheid geven;
Dan vloeit mijn mond van ís Hemels prijs,
En ít licht gast onder op mijn wijs.

Versteek me van mijn kroon
En rijk niet, in mijne oude dagen.
Last Uw gezalfden niet verjagen,
Nu hij verzwakt, uit zijnen troon
Naardien mijn vijand dus verweten
Durf roemen ĄGod heeft hem verlaten!Ē
Naardien de raad, van mij vervremd,
Mij lagen legt en tí zamenstemt.

Men roept uit tenen mond:
ĄDí Almachtige is van hem geweken!
Vervolgt hem, vat hem; hij blijft staken,
Daar niemand aan zijn zijde stondĒ.
Verwijder niet, nu zij ít bespieden.
Gewaardig mij de hand te bieden.
Beschaam, en stop den lastermond,
Beschaam, beschimp hem, die mij wondt!

Maar mijne hoop houdt aan,
En stapelt lof op lof in ít zingen;
Mijn mond, te toomen noch te dwingen,
Van blij chap, volgt de zonnera‚n,
En vaart ten hemel, van beneden,
Trompet, hoe Gods gerechtigheden
Oprechten kronen, boozen slaan,
Deze op- en dí andere onder-gaan:

Want ik mij niet versta
Op aardsch vernuft en menschetreken,
Maar op Gods almacht, klaar gebleken,
En Zijn rechtvaardige gen‚,
Die niemand zal verongelijken.
Van jongs op hebt Ge, u God ít door blijken
Mij dit gesterkt; dies eert mijn zang
Uw wonderen, mijn leven lang.

Bezwijk me dan, o God!
Geensins in dí afgeleefde dagen,
Dus grijs, te zwak om laat te dragen,
Opdat mijn geest en lippen, vlot
En vlugge, Uw sterken arm en krachten
Aanstaande stammen en geslachten
Bazuinen mogen overal,
Zoo lang hun afkomst leven zal;

Dat ik de loftrompet
Van Gods almogendheid mag steken,
En Zijn rechtvaardigheid, gebleken
Daar ze elk zijn grens en palen zet,
Elk een, in hemel en op aarde,
Bejegent naar zijn eisch en waarde.
Wie is zon wijs, zon sterk zon rijk?
Wie dí onbegrepenheid gelijk?

Wat hebt Ge al ramp en druk,
Hoe groote elenden mij beschoren!
Daarna, bedaard in Uwen tooren
Mijn geest herschapen, met geluk
Gezegend, en door Uw vermogen
Uit ís afgronds muil en klauw getogen.
Hoe hebt Ge Uw heerlijkheid vergroot,
Mijn hart verkwikt op Uwen schoot!

Ik zal, op mijne harp,
Van Uw getrouwe waarheid spelen,
En Uwen lof mijn luit bevelen,
Gesteld op ít oor heel luisterscherp.
O, Jacobs heilige Beschermer!
Mijn keel zal huppelen, niet armer
Van galm, gelijk mijn ziel, die Gij
Gebergd hebt, daar ze lag en lij.

Van dat het morgenlicht
Verrijst, tot daar de zon haar stralen
Te water voert in ít nederdalen,
Zal mijne tong, aan zang verplicht,
Uw hemelsch recht met lof stoffeeren,
Als mijn vervolgcrs angstig keeren,
En schaamrood vluchten en verbaasd,
Daar Gods bazuin triomfe blaast.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001