Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXIe HARPZANG.

A. 1656

Deus, judicium tuum regi.

Nu geef den koning op den troon
Uw oordeel, om partijen
Te scheiden; geef des konings zoon
Uw stijl van recht, om t allen tijen
Uw vollek, zonder gunst of haat,
O God t te rechten, klachtige armen,
In hunnen onderdrukten Staat
En rechtszaak, billijk te beschermen.

De vrede bloeye door Uw rijk,
Daar menschen bergen dekken;
Het recht beslechte alle ongelijk,
Zoo wijd en breed de heuvels strekken,
Hij handhaaf t recht, waar d armo zit,
Beho nooddruftige en haar kinders,
En toome, als met een mondgebit,
Den lastermond der eerverslinders!

Dit rijk zal langer duren, dan
De zon en maan haar ronden
Voltrekken, teekens zetten van
Het jaar en maand en dag en stonden,
Van stam tot stam. Zijn koningsdom
Verkwikt elke hart. Hij daalt, als regen
En dauw op veld en vacht, alom
Van hitte dorstig en verslegen,

Gedurende zijn heerschappij
Zal t billijk recht, aan t bloeyen,
En vrederijkheid, zoet en blij,
Met vellen zegen overvloeyen,
Zoo lang de maan om d aarde rent.
Hij zal, van zee tot zee, de palen
Des rijks uitbreiden. s Werelds end
Bepaalt zijn rijk, en stuit zijn stralen.

Voor zijnen stoel zal t Moorsche hof
Met zijn Moorjanen knielen,
De vijand kussen hand en stof.
Gekroonde en koninklijke zielen
Van Tharsis, eilanden en zee,
Hem gaven offren. Groots heeren,
Gekroonde Arabers, Saba me,
Dien koning met schenkagin eeren.

Wat kronen op den tulbant draagt
Op d aarde, zal hem kennen,
Zoo wijd de faam van hem gewaagt,
Het woeste volk zich laten mannen
Van zijnen tengel. Wat bedrukt
En onderdrnkt zit, zal hij vrijen
Den hulpeloozen hals ontrukt
Hij t ijzrenjuk der dwinglandijen.

Hij begenadigt d arremo,
Behoedt de hulpeloozen,
En breekt den woekraar, nimmer mo
Van knagen, en den vrekken boozen,
Den woekertand uit hunnen bek,
En eert het bloed, dat van die wreeden
Als slijm geacht, en op den nek
Met smaad getrapt wordt en getreden.

Hij zal lang leven en gebin,
Arabi hem wijden
Arabisch goud op Zijne knin,
Den koning eeren t allen tijden,
En danken t gansche leven lang,
Al d aarde mild haar vruchten baren
Op hooge bergen, zonder dwang
Van kouter, rijk van volle jaren.

Het koren zal op Liban staan,
Daar cederboomen groeyen
En ruischen. D aarde levert graan.
De steden zullen heerlijk bloeyen,
Gelijk t bedauwde gras op t veld,
Daar t room en melk en honig regent.
De naam van dezen vredeheld
Zij eeuwiglijk van God gezegend!

Zijn naam verduurt de zon, gewend
Te schijnen op hare orden;
Wat volk op d aarde hem bekent,
Zal in zijn naam gezegend worden.
Al t Heidendom ontvouwt zijn lof.
Geloofd zij Jacobs God byzonder,
Die stam op stam verrijkt met stof
Tot prijs, geschept uit s hemels wonder.

De naam van deze Majesteit
Is waardig prijs te ontvangen,
Te volgen t spoor der eeuwigheid,
Op onvermoeide lofgezangen.
Dees Majesteit bestraalt alom
Den aardbom, en t geslacht der menschen,
Geloofd zij t eeuwig Koningsdom!
Het bloeye en groei, gelijk wij wenschen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001.