Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Quam bonus IsraŽl Deus.

Hoe goedertieren en genadig
Bejegent Jacobs God, in smart,
Het zuiver en besneden hart
Van Zijn besneÍn gestadig!

Te zorglijk slipperden mijn treden
Bijkans op ít gladde, daar ik trad
En gleÍ bijkans van ít rechte pad,
In mijn gemoed bestreden;

Want kwalijk kon ik dit gedoogen,
Dat God den boozen vrede gont,
ít Geluk van zelf hun in den mond
En tegen komt gevlogen.

Zij schijnen op geen dood te passen,
En leven lang. Ontmoet hun iet,
Hun leed is slechts een kort verdriet;
Zij schijnen ít leed ontwassen.

Zij worstlen met geen zwarigheden,
Gelijk rechtvaardigen omlaag,
Gevoelen niet de reeds en plaag,
Die ís vromen rug doorsneden.

Dus ziet men hen het hoofd opsteken,
Met onrechtvaardigheid bekleed
En goddeloosheid, die niet weet,
Dat God het kwaad zal wreken.

Men ziet hij ít onrecht hen gedijen,
Gezond en vet en heel gerust;
Zij volgen wat hun harte lust,
En weten van geen strijen.

Zij spraken stout al wat ze denken,
En zien noch God noch menschen aan,
Ontzien door lastren, daar ze staan,
Geensins Gods eer te krenken.

Zij spalken hunnen mond wijd open,
Verlastren God omhoog, helaas!
Hun tonge scheidt ze hier voor dwaas,
Die op de Godheid hopen.

Mijn volk zal hierom zich bekeeren,
En zien den uitgang en het slot
Van ít leven, dat, vervreemd van God,
Dus rolt naar hun begeeren.

Zij spraken: hoe wordt boven kennis
Bij God genomen van ons werk?
Is Gods gedachtenis zoo sterk?
O, reukelooze schennis!

Dí ontruste sprak: ei, sla uwe oogen
Op hem, en zie hoe schoon hij bloeit,
Hoe ís booswichts huis dus overvloeit
Van rijkdom en vermogen!

Toen sloot hij: ík heb dan zonder reden
Mijn hart gezuiverd, en mijn hand
Gewasschen, in onnoozlen stand,
Van smetten hier beneden.

Ik werd dan ganschen dag gesmeten,
Gegeeseld Mijn verdriet begon
Des morgens, en de Westerzon
Zag dí oogen uitgekreten.

En sprak ik. God heeft zich vergrepen
In dí orden, die, omhoog gesteld,
De boozen zegent, vromen kwelt,
En pleegt, van druk benepen,

Zoo zoude ik Gods geslacht verdoemen,
En eige kinders hier beneÍn,
Die doorgaans hunnen strijd volstreÍn;
ík Zou God onbillijk noemen!

Om Gods gcheimraad te grondeeren
Bevond ik, alvoorziende God!
Mijn brein te zwak, en stond voor ít slot
En rustte op Uw begeeren;

Tot dat ik, in Uw heiligdommen,
Godvruchtig hoorde een slot van ít pleit,
En hoe elk uitgang boven leidt,
Daar dí Englen voor verstommen.

ík Vernam, hoe glad de rijken stonden,
Hoe Gij verhieft de stoute ziel,
Opdat ze zoo veel lager viel,
Door al haar snoode vonden.

Hoe schichtig zijn ze neÍrgevallen,
Met hunnen ongerechten schat,
In asch begraven, sla een stad,
Gestort met poorte en wallen!

Gelijk een droom voor ís wakkren oogen
Verdwijnt, zult Gij hun beeld ook meÍ
Vernietigen, in ís hemels steÍ,
Door ít onbepaald vermogen.

Mijn hart ontstak in ít overmeten
Van Uw beleid; mijn ingewand
Verging. ík Beken mijn onverstand,
En niets hiervan te weten.

Ik nam Uw juk op, neÍrgebogen
Gelijk het domme en stomme vee,
En liet mij leiden heel gedwee,
Door Uwe macht bewogen.

Gij hietdt me bij den toom van reden,
En leidde mij naar Uwen eisch,
Gewellekoumd in Uw paleis
En hof, vol heerlijkheden.

Wat staat mij boven God te wenschen
En ís hemels glorie, rijk van schat?
Wat kan mij dí aarde geven? Wat
Zijn naakte en arme menschen?

Mijn leden en mijn hart bezwijken,
In ít overwegen van dit goed,
O God ít mijn hart, mijn erf, mijn gloed
En lot, als dí eeuwen wijken!

Want wie zich blind van U verwijder,
Vergaat Wie ít hart aan boeien hangt
En afgoŰn, straf van God ontvangt,
Ten spiegel van een yder.

Mij is niet nutter, dan verbonden
Aan God te blijven, dag en nacht,
Mijn hoop te bouwen op Zijn macht,
Nooit krank noch zwak bevonden,

Om al Gods werken uit te breiden,
En rijk tí ontvouwen moet mijn stem,
Op Sion, in Jeruzalem,
Nooit van Zijn lof gescheiden.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001