Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXIIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Ut quid, Deus, repulisti.

Hoe hebt Ge, o God! ons dus elendig
Verstooten in Uw grimmigheÍn?
Verstooten eeuwig en onendig?
Hoe gloeit Uw aanzicht naar beneÍn
Van gramschap, die Uw kooi laat sneven,
Den wolven tot een roof gegeven?

Gedenk toch, hoe Gij haar verga‚rde
Tot eene kudde bij den Nijl,
Gelijk een herder haar bewaarde
Van aanvang, naar Uw goedheids stijl,
En voerde ze over veld en heide,
Gevoed, gesterkt door Uw geleide.

Gij helpt Uw erfdeel aan ít vermogen
Van staf en koninklijke kroon,
En zette ben, voor ieders oogen,
Op Sion, Uwen berg en troon,
In ít hof, waaruit Gij wendt regeeren,
En in Uw stammen triomfeeren.

Hef op Uw vuist, en klink de boozen
Ter aarde, dat ze nimmermeer
Verrijzen, deze goddeloozen,
Erf vijanden van ís Hemels eer.
Wat stond het Godskoor niet te lijden,
Toen zij Uw Heiligdom ontwijdden!

Uw haters stoften en braveerden,
In ít midden van het hooge feest;
De vloeken, die Uw koor onteerden,
En hun standaarden onbevreesd
Op torens planten, echt verstonden
Geensins wiens Heiligdom zij schonden.

Zij hieuwen Uw steÍpoorten nader,
Met zwaard en heerbijl, wreed en stout,
Gelijk men eikenboom en ceder,
In ít bosch, met bijlen nederhouwt.
Men stak de krijgstorts in den Tempel;
De koevoet schon Uw deur en drempel.

Al ít onbesneÍndom sprak vermeten
Bij zich in ít harte, uit eenen mond.
ĄValt aan, zoo blijft Gods feest vergeten,
En uitgeroeid tot in den grond.
Geen staatsie zal hun namaals lusten,
Zoo zal de feestdag eeuwig rusten.

Wij zien geen wonderteekens langer,
Vernemen geen profeeten meer,
Noch hooren geen orakels, zwanger
Van troost. Wij treuren zonder Heer,
Alleen of God ons had vergeten,
En zuchten liet aan ís vijands keten.

O God ít hoe lang zal Uw erfvijand
Braveeren over ons bederf?
Uw volk, versteken van Uw bijstand,
Hem U zien tergen op Uw erf,
Uw naam beschimpen en verachten,
Nu wij vergeefs op dí uitkomst wachten?

Zult Gij Uw hand niet eens uitsteken
Uit Uwen boezem, ons ten troost?
Gij waart ons Koning, ít is gebleken,
En God, eer ít oog den dag in ít Oost
Zag rijzen. Uwe macht bewaarde
Ons midden in den ring der aarde.

Uwe almacht metst de ronde golven,
Gelijk een muur, en houdt ze staan,
Daar al de draken in gedolven,
Als in een graf, te gronde gaan.
Gij kneust het drakenhoofd uit tooren,
Ten aze van de rave en Mooren.

Gij klinkt een brona‚r uit de steenen,
Daar springen klare beken uit,
Gij schutte dees Jordaan voorhenen,
Die zag met schrik haar kil gestuit.
Gij stelde licht en schaduw palen,
Schiept morgenrood en zonnestralen.

Gij vat den aardkloot, dicht gesloten
In zijnen ring, omringd van vloÍn;
Den zomer hebt Gij overgoten,
Bemaald met verwe en levend groen;
En schoon de winter ít veld verwildert,
Uw geest en kunst de lentí herschildert.

Gedenk, hoe ít volk, van U verbasterd,
Het Heilige omwroet en schoffeert,
Uwe almacht vloekt, beachimpt, en lastert;
Hoe reukloos zaad Uw naam onteert,
Uwe almacht tergt en trotst baldadig,
In zijnen wrevel onverzadig.

Och ít geef Uw tortelduif de raven
En wilde dieren niet ten aas;
Vergeet niet eeuwig Uwe Slaven
En armen, dus getrapt, helaas ít
Zijn wij te sneed voor U gevonden,
Zoo eert ten minste Uw heilverbonden;

Want ís vijands huizen allerwegen
Zijn elk een roofnest, opgevuld
Met schatten, door geweld verkregen
En onrecht. Laat beproefd geduld,
Tot wanhoop toe, niet gansch verschoven.
De droeve en arme zal U loven.

Rijs op, en handhaaf eens genadig
Het recht der vromen, Uwe zaak!
Gedenk, hoe reukloos volk baldadig
U daaglijks schendt, en tergt tot wraak.
Vergeet niet, hoe Uw haters grimmen,
Hun lastren altijd hooger klimmen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001