Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXIVe HARPZANG.

A. 1656

Confitebimur tibi, Deus.

Wij willen U, u God t belijden,
Belijden, U ten prijs,
Uw naam aanroepen t allen tijden,
O Almacht, goed en wijst
Wij willen Uwn wonderwerken,
Zoo nijd alom gespreid,
Trompetten. Als de tijd zijn vlerken,
Zegt God, heeet sfgeled
Zal Ik rechtvaardig vonnis vellen,
En scheiden goed en kwaad,
Elk zijnen rechten loon bestellen.
De gansche wereld staat
Gesmolten in begeerlijkheden,
Bedorven in den aard,
Met hare inwoonders daar beneden;
Doch zijt geensins bezwaard:
Ik heb bevestigd die pilaren,
Waaraan, op zulk een dag,
De bloem, gezift uit alle scharen,
Zich veilig houden mag.
k Vermaande alom die goddeloozen:
Ai, staakt uw onrecht toch,
Gij adderengebroed en boozen!
Houdt op, uw horens nog
Te kanten tegens t Alvermogen.
Verheft uw horens niet
Zoo trotsch, ten schimp van s hemels bogen.
Betoomt uw tong, en ziet
Eerst, wat gij spreekt.
Ai, tergt den tooren
Des Hemels niet, wanneer
Gij lastert, en d alhoorende ooren
Te na spreekt en Gods eer,
Want Oost noch West, noch woeste bergen
U niet bedekken voor
Den Rechter, die zich niet laat tergen,
En alle nevels door
Kan dringen, met Zijn alziende oogen.
Hij zet den eenen af,
En komt den anderen verhoogen.
Hij grijpt den kelk van straf
En wraak, vol bittren wijn geschonken
En droesem, schenkt rondom.
Het grondsop is niet uitgedronken;
De boosheid zal alom
Dien kelk van wraak nog moeten zwelgen,
Zoo wijd de wereld strekt.
Ik zing doorgaans voor Jacobs telgen
Gods lof, nog nooit bevlekt.
De hoogste Rechter wringt de hoornen
Den booswicht uit het hoofd,
Verheft den kam der uitverkoornen,
Gelijk Hij heeft beloofd.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001