Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXVe HARPZANG.

A. 1656

Notus in Judea Deus.

In t onbesnedendom, ten spot
Van al wat ren gebruikt,
Bootseert elks brein zijn eigen God
En Afgod, die niet ruikt,
Noch hoort, noch ziet, noch iet kan smaken,
Noch voelt noch weet van s werelds zaken.

De ware Godheid wordt alleen
In Judas rijk geerd;
Daar klinkt Haar lof door Jacobs sten.
De Godsdienst triomfeert
Op Sion, daar t den Hoogsten lustte,
Te kiezen Zijn verblijf en ruste.

Hier knakt Hij, met Zijn donderstem,
Den stalen boog in t veld,
Van t krijgsheer, dat Jeruzalem
Bestorremt met geweld.
Hier breekt en trapt Hij veldstandaarden,
En boog, en beukelaar, en zwaarden.

Toen Gij van t eeuwige gebergt,
Met Uwen bliksemstraal,
Te voorschijn kwaamt, zoo lang getergd,
Verstoven ze altemaal,
Verbaasd van schrik, verstrooid, verslegen,
Verbijsterd, en ter dood verlegen.

Hoe menig duizend sliep hier voort
Den doodslaap in zijn tent;
En die, verrijkt door roof en moord,
Dus stoffen, zien in t end,
Hoe zij, verarmd, met lege handen
Naar huis gaan en hunne eige landen.

Gij, Jacobs Schutsheer! gaaft uit wraak
Uw vijanden dien slag,
Daar elk, van eenen ijzren vaak
Betooverd, nederlag,
Die flns, nog trotsch te paard gezeten,
Uwe almacht trotsten zoo vermeten.

Uw gramschap blaakte afgrijselijk;
Wie wederstaat dien gloed!
Men hoorde van het Hemelsch rijk
U kneuzen s vijands moed,
Toen Gij, geneigd het kwaad te wreken,
Rechtvaardig t oordeel uit kwaamt spreken.

Het aardrijk daverde van schrik,
Op zulk een donderwoord
En eislijk werlicht, blik op blik,
Eer t stilzweeg. Gij kwaamt voort
Ter vierschare, om oprechte vromen
Te redden, en de kwan te toomen.

Hierom gedenkt het dankbaar hart
Uwe onvergeldbre deugd,
En viert, genezen van zijn smart,
Uw feest met volle vreugd,
Triomfe, en blijde zegezangen,
Voor t goed, van Uwe hand ontvangen!

Gij, die om Gods altaren zwiert!
Belooft de Godheid lof.
Brengt offergaven, juicht, en viert
Haar vrolijk; hier is stof
Van prijs en dank en offeranden,
Voor volk van allerleye standen.

Nu wijdt dien schrikkelijke Heer
Zijn gaven, want Zijn macht
Kneust Vorsten t hoofd, en velt ze ner,
En trapt ze op t hert met kracht.
De groote Koningen der aarde
Hij in Zijn strenge wraak nooit spaarde.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001