Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXVIe HARPZANG.

A. 1656

Voce mea ad Dominum.

k Heb mijn stem naar God geheven,
Riep Hem aan van hier beneden;
Hij begon gehoor te geven,
Op mijn klachten en gebeden;
Als ik zat beklemd in banden,
Zocht mijn ziel Hem in den hoogen,
s Nachts met opgeatrekte handen,
En mijn hoop werd nooit bedrogen.
Mijne ziel, bedrukt en klachtig,
Nam geen troost aan in haar smarte;
Maar zij werd aan God gedachtig,
Die verscheen met troost in t harte.
Ik bespiegelde Gods daden,
s Hemels wonderbare gangen,
En mijn geest, met God beraden,
Zweem van ijver en verlangen.
Eer de wacht was afgetogen,
Waakten d oogen om te smeeken.
Ik zat, stom van onvermogen,
Heel verbaasd, en kon niet spreken.
Ik gedacht aan d oude tijden,
Volgde d eeuwigheid der jaren,
Overwoog, hoe tijdlijk lijden
Eindelooze vreugd zal baren.
s Nachts, als mensch en dieren slapen,
Lede ik over, vr het dagen,
Tot wat eind wij zijn geschapen.
k Liet dees oefning mij behagen,
Om, met heilige gepeinzen
En geben, mijn geest te vagen,
En sprak dikwijl zonder veinzen:
Zou God eeuwig en onendig
t Menschdom onverhoord verwerpen,
Ons verlaten, dus elendig,
En Zijn gramschap eeuwig scherpen?
Zou Gods goedheid en genade
Zijne gramschap niet verzachten?
Zijn bermhartigheid te spade
Eeuwig weigren Gods geslachten?
Is t ontfermen Hem vergeten?
Hebben d onbermbartigheden
Zijn bermhartigheid versleten?
Acht Hij langer geen gebeden?
Toen begon ik op te waken,
En sprak dus ten lange leste:
Dit s Gods hand, die we ons raken
En bestraffen, ons ten beste;
Die de straf verkeert in zegen,
En genade trekt uit tooren.
k Ging Gods werken overwegen,
En Zijn wondren, lang te voren
Van t begin zoo klaar gebleken,
Bij Zijne oude bondgenooten.
k Overwoog elk wonderteeken,
Werk, en oogmerk onverdroten.
Eindlijk borst ik van verwondren
Uit, en sprak met vreugd volmondig:
God! van alles af te zondren,
Wie begrijpt Uw wegen grondig?
Gij zijt heilig en rechtvaardig,
Al Uw werk is zonder smetten.
God, almachtig, wijs, goedaardig!
Wie durf iemand naast U zetten?
Waar is Uws gelijk te vinden,
Zulk een macht en wondre grootheid,
Als de God der Godgezinden?
Groote God, voor wien elk bloot let
Gij recht wondren uit voor allen,
Alle volken zien de blijken
Van Uwe almacht heerlijk brallen.
Gij venloste uit Famos rijken
Jacobs zoons, en Jozefs zonen,
Uw verkoornen, door Uwe armen,
Uit gypten, daar ze wonen.
Toen Gij d Uwen woudt beschermen,
Zagen U de roode watren,
Zagen U de woeste baren,
En al d afgrond is voor t klatren
Van Uw zweep terug gevaren.
Dat gedruisch der holle golven
Was verschriklijk, en de wolken
Gaven vier en vlam, en dolven
Faros heer en oorlogsvolken.
Uwe bliksempijlen treffen,
En de felle donderkloten,
Eer t de vijanden beseffen,
Ros en wagen nederschoten.
Van Uw werlicht davert d aarde,
En de wereld dreunde en beefde,
Toen Uwe almacht brulde en baarde,
Zich een weg, daar niemand sneefde,
Baande in grondelooze baren,
En Gij stapte, o macht der sterken!
Daar geen vlon Uw stap bewaren,
Daar geen oog Uw spoor kan merken.
Groote Herder! Gij geleidde
Uwe kudde uit slavernije,
Door de zoons van Amram, beide
Leidsmans van Uw heerschappije.

 


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001