Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXVIIe HARPZANG.

A. 1656

Attendite, popule meus.

Hoort toe, mijn volk en uitgeleze stammen!
Die Jacobs God uw kalvers en uw rammen
Opoffert, en Hem aanbidt naar Zijn wet,
Koomt herrewaart! hoort wakker toe, en zet
U noden om naar mijnen zang te luistren:
Ik wil U, tgeen de tijden schier verduistren
Door ouderdom, ontvouwen, en de blan
Van Gods geheime orakels openslaan,
Die, onder t bef van vergeleke dingen
Gescholen, van t begin in schaduw hingen,
Dat anders in den zin dan in den klank
Der spraak bedin. Mijn goddelijk gezangk
Zal wonderen ontvouwen, en vermelden
Al wat van ouds de Vaders ons vertelden,
En leverden doorgaans, van hand tot hand,
Van mond tot mond; wat elk heeft voortgeplant
In t harte van zijne afkomste, en verhaalde
Voor wonderdan, waaruit Gods almacht straalde.
    De Godheid gaf door Mozes, Haren tolk,
Een wijze wet aan Jacobs bloed en volk,
Ontvouwde zes paar stammen Haar behagen,
Gaf oudren laat, Haar wetten voor te dragen
Hun kinderen, opdat al d afkomst dit
Van hand tot Land voortreikte, en s Hemels wit
En wil begreep, en al die nederdalen,
Van telge in telg, haar spruiten dit verhalen,
Om hart en hoop te vestigen op God,
Gods werk niet in den wind te slaan, t gebed
Des Oppersten met aandacht naar te sporen,
Opdat ze niet hardnekkig hem tot tooren
Verwekken, als hun vaders, die het hart
Niet reeglen naar Gods wet, en in hun smart
Op Hem niet staan; als Efram, getogen
In t vlakke veld, geweer, en zwaard, en bogen
Ter aarde smakte, en gaf zich op de vlucht.
Zij stonden niet bij Gods verbond Zijn tucht
Versmaadden zij te volgen in hun wandel.
Zij wischten al Gods weldan, woord, en handel,
En wonderen, getoond in t openbaar,
En uitgevoerd in d oogen van Zijn schaar,
Uit hunnen zin. Hij wrocht, opdat ze outglipten
Het ijzren juk, veel wondren in gypten,
En t vlakke veld, voor t rijkshof, Taneos,
Hij klooft de Zee, en voert ze, vrij en los
Van stalen boei, door t water, zonder schepen,
Daar Hij den vloed, als in een flesch gegrepen,
Hield staan, en voerde op t spoor t verkoren volk,
Dat Hij bij daag geleidde in eene wolk,
Bij nacht in vlamme en eene vierkolomme.
Hij klonk de rots in wildernisse, alomme
Sprong water hene, sla uit een waterkolk;
Hij klonk de rots, en laafde t dorstig volk,
Als uit een beek; nog tongen ze met morren
Gods tooren, daar de gronden gansch verdorren,
In t steken van de zon. Zij vreezen niet
Den Oppersten te tongen, door verdriet
En ongeduld. Zij durven God beproeven,
Bezoeken, of Hij al wat zij behoeven
Ook opdissche, en men eischt Hem spijs en vleesch
Uit hongersnood. Hier schreeuwt de keel zich heesch,
Die twijfelt nu aan dien alvonden Vader
En Zijne macht. Nu netten ze te gader,
En schreeuwen: hoe dekt God in dees woestijn
Een vollen disch, nu wij verhongerd zijn?
Al klonk Hij komts een waterbrou uit steenen,
Die in de heide, als waterbeeken, henen
Kwam vloeyen; kan Hij graan en eenen dissh
Bestellen aan Zijn volk, dat hongrig is ?
    De Godheid hoort de stouten murmureeren,
En drijft ze weg. Men ziet Haar aanschijn keeren
In enkel gloed. Zij steekt de tent aan brand,
Straft Jacobs bloed uit gramschap in dien stand,
Dewijl t mistrouwt aan t eeuwig Alvermogen,
En op Zijn hulp niet steunt en mededoogen;
En nog gebiedt d Alvonde, dat de wolk
Haar schoot ontvouwe, en uitstorte over t volk,
Dat Hem mistrouwt. Hij opent s Hemels deuren.
Zoodra de lucht en zwangre wolken scheuren,
Wordt al het veld met hemelsch mann bedauwd.
De lucht schaft zaad voor t zaad, dat God mistrouwt.
De menschen, die Gods naam zoo moed onteeren,
Gaan nu ter feest met Englen banketteeren,
Verzaad van spijze en vollen overvloed.
Hij jaagt den wind in t Oosten, t Zuiden moet
Hem dienen, en de kwakkelvluchten waayen
Uit zes op t land, als stof en zand, en paayen
Het leger, daar zij vallen op de kuit,
Van tent tot tent. Elk een verzaadt zijn lust,
En smaakt al wat zijn hart lust, hier gezeten.
Geen lekkre tong beklaagt zich over t eten.
    De kwakkel gle nog naauwlijks door den balg
En keel des vraats, of hem stak voort de walg
Van kwakkelvleesch en manne, als of die vielen
Bij wild geval, daar zij hun leger hielen.
Zij monden al t ondankbaar tegens God,
En tergden hem, die toornig rot bij rot
Met plagen trof, om t misbruik van Zijn gaven.
Daar wordt de sterkste en lekkerste begraven;
Nog struiklen zij, mistrouwen s Hemels macht
En wonderen, als een verhard geslacht.
Zij storven snel, en raakten om het leven,
Zoo scbichig, als een rook, voorbijgedreven.
Als God hen sloeg, dan hoorden zij Gods stem,
En keerden met berouw bij tijds naar Hem,
Gedachten aan Zijn weldan, hun bewezen,
Hoe Hij hen hulp en bijstand, en zij prezen
De hoogste Macht, die s vijands heerkracht dwong.
Zij eenden Hem slechts met den mond, de tong
Sprak logentaal, het hart wordt valsch bevonden,
En hangt niet trouw aan God en Zijn verbonden;
Hij evenwel volhardt in Zijn gen,
En, haast verzoend, al komt hun boete sp,
Verdelgt ze niet al teffens, maar lankmoedig;
Betoomt Zijn wraak, en giet niet, wreed en bloedig,
Zijn gramschap op een sprong uit, maar bedaard.
Hij kent te wel den menschen brossen aard,
Hoe lichtelijk zij slibbren, zwaarlijk rijzen.
Hoe menigmaal, en op hoe vele wijzen,
Verbittren zij Zijn wraak in t woeste veld,
En tongen Hem tot gramschap, daar men smelt
In t steken van de zon, op dorre landen!
Zij keerden wel boetvaardig wer, maar spanden
Werspannig reis op reis aan met hun rot,
En monden en beproefden hunnen God,
Verbitterden het heilig Hoofd der stammen;
Zij denken niet, terwijl ze Hem vergrammen,
Hoe Zijne hand, in t nijpen van den druk,
Hen vrij de, hoe Zijn hand dat lastig juk
Van hunnen hals en rugge heeft geschoven.
Zoo had de macht des Oppersten van boven
Zijn teekens aan den Nijl ten toon gesteld,
En wonderen bij Taneos in t veld.
Men zag Hem stroom en put in bloed verkeeren.
De regen is ondrinkbaar. Krekels toren
Op bloesem en op vruchten. Zaal bij zaal
Van vorschen krielt. De plaag eet d akkers kaal.
De sprinkhaan snoept. De hagel slaat de wijnen.
De rijp verslindt de moerbei. Runders kwijnen,
Geslagen van den hagel in de we.
De bliksem zengt de beemden. t Veldgeschrei
Getuigt, hoe breed Gods gramschap ongebonden
Gaat weiden; hoe Zijn wraak, hun opgezonden,
Gaat grazen, door den Engel, tot bederf
Van vee en volk en vrucht en land en erf.
Hij stelt Zijn wraak geen perk, verschoont geen zielen,
Daar teffens vee en menschen nedervielen.
Hij velde alom den eerstgeboren zoon,
Zoo wijd de Nijl het hoofd buigt voor de kroon,
En trof de tent van Cham en d eerstelingen,
Daar zijne zoons dus lang den oogst ontvangen.
Hij leidde Zijn geslacht, van ste tot ste,
Gelijk een kudde, een lamrenkudde, in vre
Den herder volgt, door wildernis en heide,
Getroost in Hem en t Hemelsche geleide.
Zij siddren niet, noch staan in nood verschrikt,
Daar d afgrond gaapt en s vijands heerkracht slikt.
    Dezelve Macht, niet straffeloos te tergen,
Voert Jacobs troep, daar Zij het hoofd der bergen,
Den heugen borg van Sion, innewijdt
Tot haren dienst, bemachtigd, in den strijd,
Dees Haren arm, die men den onbesneden.
Voor hun gezicht, gejaagd had uit de steden,
Haar volk het land bij loting toegeled.
Hier plchtte God de stammen, om gespreid
De hutten van den vijand te bewonen,
Zij tergen Hein beproeven Hem, en honen
Door wantrouw wer Zijne almacht in den troon,
En passen op Gods wetten noch gebon.
Zij keeren God den nek toe, en verlaten
Zijn heilverbond, zoo heilloos en verwaten,
Gelijk voorheen hun vaders, slimmer dan
Een boog, die blind met omgekeerd gespan
Zijn meester wondt. Zij durven Afgon zetten
Op hemels, en de wraak des Hemels wetten
Op t bergaltaar door beelden, daar Gods haat
Geen Afgod lijdt, die aan Zijn zijde staat.
Dat klinkt zou haast de Godheid niet in d ooren,
Zij belgt zich dit, en berst voort uit in toeren,
Verstrooit het heer van Jacob in den slag.
Zij rukt hierop de tent om, daar Ze plag
Te zweven op de schacht der Cherubijnen,
Ten troost des volks te Silo te verschijnen,
En leverde de kist van t Heilverbond,
Daar hunne macht en zegen in bestond,
De heerlijkheid, daar ze alle na verlangen,
In s vijands hand, ontheiligd en gevangen.
Gods heerkracht wordt verslonden van het zwaard;
Zijn erfdeel zit verlaten, onbewaard,
De bloem der jeugd, de sterkste jongelingen
Vergaan door t vier. De huwbre maagden gingen
Nu troosteloos, en werden niet beklaagd.
De priester stort in t zwaard. De weew, verjaagd
En onderdrukt, terwijl de mannen sterven,
Loopt onbeklaagd om s mans gebeente zwerven.
    Nadat de hoogste en strenge Majesteit
Hen naar verdienste, in Haar verborgenheid,
Gestraft heeft, zoo begint Ze te bedaren,
Waakt op, gelijk een reus, in krijg ervaren,
In zijnen slaap en dronkenschap gesmoord,
Ten bedde uitrijst. Hij klampt den vloek aan boord,
En valt in t heer. De Filistijnen vlieden,
Die elk om t eerst Hem doodsch den rugge bieden,
Terwijl Hij zich in hun slagordens mengt,
En eeuwiglijk die macht ter schande brengt.
Nog leed God niet, dat zij hun hut herstelden,
Daar Silo staat gebouwd op Jozefs velden.
Hij koos den stam van Efram niet uit
Ter heerschappij, maar gaf ze aan Judas spruit,
Die moedig nut dien leeuwstam was gesproten.
Hij heiligde voor s Hemels bondgenooten
Den hoogen berg van Sion, naar Zijn lust,
Daar in Zijn tent ze goude bondkist ruit.
Hier bouwde Hij de Godshut als een tempel,
Het eenig dak, daar Zijn gezicht den drempel
Van hof en poort bewaakt, zoo lang het licht
In t Oosten rijst, en straalt op ons gezicht.
Hij zelfde t hoofd van David, Zijn getrouwen,
t Verkoos hem uit de weide en vee.landouwen
En schaapstal, dicht gepropt van vruchtbaar vee,
Om Jacob, die God dient in d offerste,
En Jacobs bloed te hoeden en te weiden.
Hij weidde ze ook onnoozel en bescheiden,
Beschutte t volk voor t Filistijnsch geweld
Uit Zijnen troon, bij d Oppermacht gesteld.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001