Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXIXe HARPZANG.

A. 1656

Qui regis Israel, intende.

Getrouwe Herder der genooten,
Uit Jakob, Izaks zoon, gesproten!
Och, luister toch naar mijne klacht,
Die Jozefs zoon en vrome knapen,
Gelijk een kudde onnoozle schapen,
Gevoerd hebt uit hun vijands macht.

Gij, die op goude Cherubijnen,
Daar Uwe stammen voor verschijnen
In t Heiligdom, verheerlijkt zit,
Verschijn op Eframs gebeden,
En Benjamins gekerm beneden,
Verschijn Manasse, die U bidt!

Ontwaak, en koom met macht te voorschijn,
Opdat Uw hulp en bijstand doorschijn,
Ons veilige voor s haters juk!
Ontdek Uw aanschijn; trek onze oogen
Door t licht van troost naar s Hemels bogen,
Zoo staan we ontlast van rouwe en druk.

O, Opperhoofd van s Hemels benden!
Hoe lang zult Gij Uw aanzicht wenden,
Uit gramschap, van Uw knechts gebed?
Hoe lang ons ziel met tranen spijzen,
Met tranen laven, henewijzen
Van Uw gen, dus onverzet?

Gij hebt ons landerij en muren
Gesteld ten schimp der nageburen.
De vijanden braveeren vast.
Ontdek Uw aanschijn! Trek onze oogen,
Door t licht van troost, naar s Hemels bogen
Zoo staan we eens vrij voor overlast.

Gij voerde Uw wijngaard, van de kanten
Des Nijlstrooms, om dien hier te planten,
Daar Gij het volk verjoegt met smaad.
Gij, als ons Hoofd voorheen getogen,
Plant hier den wijnstok, met vermogen,
Wiens vruchten wortel t land beslaat.

Zijn schaduw dekt gebergte en stroomen.
Zijn groente dekt Gods cederboomen.
Hij spreidt zijn ranken aan de zee,
En zoomt d Eufraat met vruchtbre loten,
Zoo rijk en welig voortgesproten,
Tot blij schap van de druivensne.

Hoe hebt Gij, nooit verzaad van wrokken,
Dien hoogen tuinmuur omgetrokken?
Dien wijnoogst elk gedoemd ten buit?
Het wilde zwijn en boschdier randden
De vrucht aan, rukten, met hun tanden,
Den wijnstok met den wortel uit.

O, Opperhoofd van s Hemels benden!
Zie ner, aanschouw alle onze elenden
Van boven Sla Uw wijngaard g!
Hersnoei en bind zijn ranken weder,
Die Gij geplant hebt. Zie toch neder
Wat stam Gij plantte uit Uw gen!

Gij zult Uw wijnberg, aangesteken
En omgewroet, rechtvaardig wreken,
Als Gij verschijnt het heilloos bloed.
Och, of Uw hand Uwe afkomst eerde,
En t menschenbeeld, dat zij bootseerde,
Herstelde op eenen vaster voet!

Wij zullen U niet meer verlaten,
Beho ons toch voor die ons haten,
Zoo blijft Uwe eer in hare kracht.
Ontdek Uw aanschijn, trek onze oogen
Door t licht van troost, naar s Hemels bogen,
Zoo rust Uw volk, gelijk het placht.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001