Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Deus, quis similia erit tibi.

O Almachtige, eer van ít eeuwig Rijk!
Wie is U gelijk,
In geweld en kracht,
Dapperheid en macht?
Zwijg nu langer niet.
Let op ons verdriet:
Want Uw vijand steekt, met luid gerucht,
ít Hoofd op in de lucht,
Houdt erglistig raad,
Brouwt verraad in Staat,
Vlamt op ons bederf,
Dreigt Uw heilig erf.
Hoor ze roepen: Ąmannen, rukt bijeen!
Nu verdelgt hun steÍn,
Volk en vee en stal,
Dat niet een van al,
In gansch Israel,
Blijf, die ít na vertellí.
Och! zij zweren alle uit ťťnen mond,
Tegens Uw verbond,
ít Idumeesch tapijt,
IsmaŽl, vol spijt,
TreÍn in een verband,
Zweren hand aan hand;
Moab, zoon van Loth, en Agars bloed,
Gebal, Ammon wroet
Mede in dit bestek,
Neffens Amalek,
Palestijner meÍ,
En TyriÍr aan zee;
Assur trekt met dí af komste aan van Loth
Tegens Jacobs God.
Straf ze als Madian,
Sisara, en dan
Als Ge aan Cissons kant
Jabin velde in ít zand,
Daar ze tí Endor streefden, droef en straf,
Zonder zerk en graf,
Dí aarde dí aders dronk,
Het gebeente stook
Van zoo menig held,
Voor den wind, in ít veld.
Tref ze en sla ze, als Gedeon zoo vroeg
Seb en Oreb sloeg,
En vorst Sebea,
Neffens Salmona,
Al met hun geweer
Trotsch geveld ter neÍr.
Tref ze, als Gij weleer de vorsten troft,
Daar de boosheid stoft.
Wroet vrij Sion om
Met zijn Heiligdom.
Wint vrij Jacobs steÍn,
Als Uw erflijk leen.
Sterke God! nu draai hen, als een rad.
Wees ze, als kaf, langs ít pad
En het veld, gezwind
Heenvliegt voor den wind,
Dat er eindlijk niet,
Niet van overschietí,
Als de vlam een berg, het vier een woud
Wegbrandt, fel en stout,
Zult Ge, in ít onweÍr van
Uwe gramschap, man,
Ros, en wagen voort
Dempen, rood van moord.
Waak eens op, en stel ze, om Uwen hoon,
Schaamrood klaar ten toon,
Opdat ze Uw naams eer
Zoeken meer en meer.
Laat ze schaamrood staan,
Die Uwe eer vernam!
Heer! verstrooi ze in schande eeuw in, eeuw uit.
Demp ze om ít loos besluit,
Dat de blinde rot
U aanbidde, als God,
Dí eerste macht alleen,
Om al ít aardrijk heen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001