Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXIVe HARPZANG.

A. 1656

Benedixisti, Domine, terram.

Gij hebt, o goede Vader! weder
    Het eertijds bloeyend land
    Hersteld in zijnen eersten stand,
Nadat de vijand alles neder
    Geveld had, volk en oegst
    Geplonderd en verwoest.

Nu bloeyen berg en dal en steden,
    En beek en beemd en bosch,
    Uw stamhuis gaat nu, vrij en los
Van boei en keten, heuetreden,
    Verlost van s vijands juk,
    Na zoo veel smert en druk.

Gij hebt s volks misdaad kwijt geschouden,
    Het hart, van schuld bevlekt,
    Met Uw genade en gunst bedekt,
Uw gramschap bij den toom gehouden.
    Gij keerde Uw mede en straf
    Van Jacobs lenden af.

Behoeder van Uwe eige stammen,
    Beho toch in t gemeen
    Ons, van Uw wetperk t overtren.
Gij zult voortaan U niet vergrammen.
    Keer af, ten zoen geneigd,
    Den vlegel, die ons dreigt.

Zonde Uwe gramschap, eens ontsteken,
    Dus branden zonder end,
    Als in zijn eigen element,
Om d oude schulden en gebreken?
    En breidt Ge Uw gramschap uit,
    Van stamme in telge en spruit?

Gij zult, o God! niet meer gesteven
    Van Uw verbolgenheid,
    Maar van genade eer aangeleid,
Ons eenen nieuwen adem geven.
    Uw volk, niet langer schuw,
    Herschept zijn vreugd in U.

Ontvouw ons Uw bermhartigheden,
    Voltooi, voltooi in t kort,
    Wat aan ons eeuwig heildom schort.
Mijn hart zal luistren naar Gods reden,
    Dewijl Hij, nut Zijn wolk,
    Den vre bazuint voor t volk;

Den vre der heiligste erfgenooten,
    Wier harten zijn verzet;
    Godvruchtigen wordt in t gebed
Het lang beloofde heil ontsloten.
    Zoo houdt Gods glorie stand
    In ons gezegend land.

Rechtvaardigheid en vrede groeten
    Elkandren, mond aan mond.
    Men ziet bermhartigheid, gewond
Van liefde, waarheid heusch gemoeten,
    Gerust en heel vernoegd,
    Als twee gezustren voegt.

De waarheid spruit met vrengd uit d aarde;
    Rechtvaardigheid ten toon
    Ziet ner uit haren hoogen troon.
Gods goedheid zal, zoo t aardrijk baarde,
    Verheugen onze lucht
    Met een gewenschte vrucht.

Rechtvaardigheid schijnt voor God henen.
    Zij straalt van s hemels zon,
    Der heldre lichten ar en bron,
En baant den weg met hare beenen,
    In t onverlichte dal,
    Voor d eeuw, die volgen zal.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001