Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXVIe HARPZANG.

A. 1656

Fundamenta ejus in montibus.

Hoe grondvast staat Jeruzalem
    Op bergen, Gode toegewijd!
Hoe lief zijn Sions poorten Hem,
    Nog liever dan, in d oude tijd,
De tenten van t gezegend heer,
Dat herwaart kwam van t ronde meer!

O Koninklijke Priesterstad!
    O Godsstad! op hoe groot een prijs
Hoe heerelijk wordt gij geschat!
    En nog denkt God op rijker wijs
Uw vesten uitgeled te zien,
Door aanwas van uitheemsche lin;

Als Memfis aanstappe op den roep
    Van Uwe faam, en Babilon
Gods naam belij, met troep bij troep,
    En andre vreemden, die de zon
Beschijnt, en Tyrus en Moorjaan
Uit ijver zich hier nederslaan.

Hoe wil dit klinken, als men zeit,
    Dat hier een mensch geboren is,
Die zelf den grond steen heeft geleid
    Van deze vesten, en gewis
Zoo machtig is en zoo geroemd,
Dat ieder hem den hoogsten noemt!

De Heer zal zelf dit wonderwerk
    Bazuinen en beschrijven door
Het volk en d overhen, die sterk
    En overtalrijk, na en voor,
Geboren worden, uur op uur,
En wonen binnen uwen muur.

Jeruzalem, hoe liefdlijk
    Wil deze t zamenwoning van
Uw burgren klinken, als muzijk
    Van kelen en een snaargespan!
Al wat men in u hoort en ziet,
Is vrolijkheid en anders niet.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001