Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXVIIe HARPZANG.

A. 1656

Domine, Deus salutis meae.

O, Oorsprong van al mijn behoudenisse!
Ik bod doorgaans bij U met klachten aan,
Terwijl de beurt van dag en nacht niet misse,
Bij t schijnen van de zon en van de maan.
Mijn bede stijge, als wyrook, voor Uw lampen
En aangezicht! Verhoor mijn klacht niet straf;
Dewijl mijn hart is overkropt van rampen,
Mijn leven staat met eenen voet in t graf.
Men acht me als een, die, in een poel aan t zinken,
Om bijstand schreit. Ik slecht, helaas! een hart,
Dat hulpeloos den kelk de doods zal drinken,
En trooste mij vrijwillig zulk een smart.
k Gelijk het lijk, dat, vechtende in zijn wapen
Den geest gaf, en gewond op t vlakke veld
Begraven werd, en schijnende te slapen
In t graf, bij U is uit den zin gesteld;
Een lijk, daar Gij Uw hand hebt afgetogen.
Mijn hater zond mijn ziel ter Helle ner,
Daar duisternis, de nacht des doods, geene oogen
Met licht vertroost, weer zich de doode keer.
Uw gramschap, die mij heeft van U verstooten,
Staat pal en vast, gelijk een kopren muur.
Gij hebt Uw vlon van gramschap uitgegoten
Op mij alleen, en teffens uur op uur.
Mijn vrienden en bekenden zijn gewekcn,
Vervloeken mij, als een waarvoor elk gruwt.
Men vangt me, ik sta; mijn oogen zijn bezweken;
Gansch hulpeloos, daar mij een ieder schuwt.
Ik roepe U aan, met uitgestrekte handen
Den ganschen dag, van dat de zon verrijst,
Totdat ze helt naar zee en duin en stranden,
En dalen wil op s aardrijks zoom en lijst.
Maar waarom vaar ik dreef naar t rijk der dooden?
Hebt Ge ooit den don Uw wonderdan vertoond?
Verwekte ooit arts de don, die t leven vloden,
En looft een doode Uw naam, omhoog gekroond?
Zal koud gebeente ook Uw genade en waarheid
Verkondigen in t graf, van stank verrot?
Zal t lijk Uw recht en wondren in een naarheid,
Die t al vergeet, ook kennen? O mijn God!
k Houde evenwel gestadig aan met smeeken:
Mijn bede wacht U vr den dageraad.
Hoe kunt Ge, o Heer! mij van Uw hulp versteken,
Mij aanzien met den nek, in dezen staat?
Ik ben dus naakt en bloot en arm geboren,
Mijn lijden stond van kindsbeen voor mijn oog.
k Heb d oodmoed in mijn smart ten troon gekomen;
Zie t heilloos volk met druk aan, van omhoog.
Uw tooren treft me, en komt mijn dagen korten.
Hij treft mijn hart met doodelijken schrik,
Die bruist en komt, als water, op mij storten,
En suist en ruischt, bestont me alle oogenblik.
Gij schrikt het al, dat elk van mij verwijder,
En vriend en maag. De naaste, die mij kent,
Verloochent mij, en vlucht verbaasd. Een ieder
Verlaat me in druk, en s levens uiterste end.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001