Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXVIIIe HARPZANG.

Aļ. 1656

Misenicordias Domini.

Ik steile, o God! op Uw bermhartigheden,
Die eeuwig uit U stralen naar beneden,
Mijn zanggezinde en opgespanne keel.
De waarheid van Uw trouwe, oprecht en eÍl
In ít houden van ít beloofde heil te geven,
Van stam tot stam, aan dí ouders, en hun neven,
Zal leven op mijn tong, en mijn gezang
Uw trouw bekleÍn met lof, mijn leven lang;
Want Gij hebt eens beloofd aan Uw getrouwen,
En spreekt: ĄIk zal in ít hof des Hemels bouwen
Het vast gebouw van Mijn bermbartigheid;
Daar wordt Mijn trouw en waarheid, eerst voorzeÓd,
Bevestigd om onendelijk te duren
In Mijn paleis en starrelichte muren.
Ik heb met Mijn genooten een verbond
Gesloten, en bij eede met Mijn mond
Aan David, Gods gezalfde, trouw gezworen,
Beloofd zijn zaad, ter heerschappij geboren,
Te zeegnen en handhaven op den troon,
Daar dí eeuwigheid zal duren, als zijn kroon.
Ik wil dien stoel bevestigen met eere,
Van stam tot stam, dat hem geen onheil u leere!
    De Hemel, hoog gewellefd boven zwerk
En zon, bazuint, o God! Uw wonderwerk.
ít Ontelbaar tal der Heugen, van Uw klaarheid
Omboog verlicht, trompet Uw trouw en waarheid,
Die ít wapen drukt op Uw belofte en woord;
Want boven wordt Uw lof niet eens gestoord,
Daar geen van al, die op de sterren dansen,
Uw Majesteit gelijk is, geene transen,
Vol Engelen, Uw zoons, in ít Hemelsch rijk,
In heerlijkheid en eere U zijn gelijk.
    O God! die, wijd van onzen nacht, daar boven
Verheerlijkt zit in ít hof van alle hoven,
Gij zijt zoo groot en schriklijk, dat elk gruwt
Voor Uwen stoel, van licht rondom bestuwd.
O, Overste der heerkracht in de streken
Des Hemels! Heer, wie wordt bij U geleken?
Almachtige, waarvoor elk nederstort!
Uw waarheid is de riem, die U omgordt.
Uw macht gebiedt de zee en diepe stroomen.
Zij kan den storm en ít eislijk onweÍr toomen,
Wanneer de zee, met een ontsteld gelaat,
Al schuimende  an de lucht en sterren slaat.
Uw macht verneÍrt de trotschen, dat ze ploffen,
Als een gewonde, in ít vlakke veld getroffen
Van ís vijands pijl. Uw vijands drang en zwarm
Verstrooit Ge, sla stof, met Uwen sterken arm;
Want Hemel, aarde, en ree en duin en stranden,
Al dí aarde, en wet ze omvat, op Uwe handen
Gedragen, U aanbidden, als hun stut.
Gij hebt de zee en noordwind, die haar schudt
En ringeloort, gewrocht door Uw vermogen.
De hooge top van Hermon, opgetogen
Tot aan de lucht, en Thabor, in het Oost,
Aan ít juichen in Uw lof, zien op den troost
Van Uwen arm en almacht, en getuigen
Dat alle macht voor Uwe kracht moet buigen.
Ik wenache, dat Uw hand haar macht ontvouwí,
Uw rechte hand geloofd werde om haar trouw.
Wanneer Ge gaat ten trone, om, zonder voordeel
En gunst, ít geschil door Uw rechtvaardig oordeel
Te scheiden, treÍn rechtvaardigheid en ít recht
Vooruit, ter stel, daar Gij ít oneffen slecht.
Bermhartigheid en waarheid U geleiden,
Als voorbeÍn om partijen net te scheiden.
Gelukkig is het volk, dat zich verheugt
In zijnen God, met kennis van die vreugd.
Het volk, o Heer! zal blijde in alle palen,
In ít licht, dat van Uw aanschijn neÍr komt stralen,
Ook wandelen met kennis van Gods wil,
En huppelen van blijschap, nimmer stil,
Op Uwen lof, ten Hemel opgetogen,
En dragen moed op ít heilrecht, dat alle oogen
Zien blsnken uit Uw troon, vol majesteit;
Want U alleen, en Uwe heerlijkheid
Wordt dí eere van ís volks macht en kracht gegeven,
ís Volks werk Uw gunste en wille toegeschreven,
En wat zij ooit vermochten, of voortaan
In Uwen naam tot ís Hemels prijs bestaan;
Want Gij, o stam van Uw gewijde loten!
Hebt Jacobs huis gewijd tot bondgenooten;
Toen Gij voorheen verscheent, in een gezicht,
Uw heilige Profeten, rijk ven licht,
En spraakt: ĄIk hebbe een herder uitgekozen,
Een dappren held, ten dwang der goddeloozen,
Verheven tot een Koning over ít Rijk.
ík Vond David, mijn getrouwen, ís vromen wijk,
En zalfde ít hoofd van dezen Godverkoren
Tot hoofd des Rijks niet Mijnen olieboren.
ík Zal zijnen staf handhaven met Mijn hand,
Met Mijnen arm hem houden in dien stand.
Hij zal geensins voor zijnen vijand suffen,
Noch ís haters macht hem kwetsen, noch verbluffen.
ík Zal ís vijands heen verdelgen voor zijn lucht,
De vloeken snel verstrooyen op de vlucht.
Mijn waarheid en bermhartigheid zal volgen,
En op het spoor de vijanden verbolgen
Verjagen, hij, gezegend in Mijn naam,
Zijn horen hoog verheffen op die faam.
Zijn mogendheid zal nee en haren toomen,
Zijn rechte hand regeeren meer en stroomen.
Dan roept hij Mij voor zijnen Vader aan,
En God en hulp, handhaven op de baan
Van heil en spoed. Ik wil dien eerstgeboren,
Ter heerschappij geschapen en gekomen,
Verheffen boven al wat kronen draagt,
Daar dí avond valt, en ít licht des morgens daagt
Uit ís aardrijks kimme. Ik wil hem zonder ende
Beschermen out genade voor elende,
En veiligen, en honden hem ít verbond,
Dat Ik zoo dier bezwoer met Mijnen mond.
Ik wil zijn zaad voor eeuwig innewijden.
En zetten op den troon, van eeuw noch tijden
Uit zijnen grond geschokt, en nooit verzet;
Maar zoo ít gcbeurí dat dí afkomst Mijne wet
Den rug biede, en zich zelf naar Mijn behagen
En rechten niet oprecht en vroom wil dragen;
Zoo zij Mijn recht ontheiligen, Mijn woord
En zuivre wet niet houden, als ít behoort,
Dan wil Ik alle ontwijders van Gods regel
Bezoeken met Mijn strenge roede en vlegel,
Nochtans niet heel van Mijn bermhartigheid
Versteken, noch van ít goed hun toegezeÓd,
Noch ít Heilverbond, bezegeld met Mijn lippen,
Ontheilgen in dí allerminste stippen.
ík Heb heilig dus gezworen, eens voor al,
Daar David mij niet valsch in vinden zal:
Zijne afkomst zal, eeuw in, eeuw uit, regeeren,
Zijn vaste stoel geen glans noch licht ontberen;
Gelijk de zon voor ít Hemelsch aangezicht,
De volle maan met haar volwassen licht
Gedurig schijnt, gelijk de regenbogen,
Geschilderd aan den hemel voor elks oogen,
ít Aloud verbond met Noach, Mijnen knecht,
Na ít ondergaan der wereld opgerecht,
Getuigen, door geene eeuwen afgesleten.
    Maar hoe? Gij hebt Uw erfdeel neÍrgesmeten,
Verworpen, en versteken van Gods troost,
En Uw Gezalfde in ballingschap naar ít Oost
Van hier gevoerd, Uw jongsten wil gebroken,
Uw knecht onterfd van ít erfgoed, hem besproken,
Het Heiligdom der krone straf ontwijd,
Den tuinmuur van Uw wijnberg, bang benijd,
Gesloopt, verdelgd, waarom alle oogenblikken
Elk siddren moet, daar niemand plag te schrikken.
De wijnberg legt nu open, zonder wijn,
Den doortocht van den haat en Filistijn
Ten roove en buit, ten schimp den nageburen.
De vijand stoft op dí afgebroke muren.
De lastenmond braveert ons op het puin.
De noodhulp van ons zwaard dien vruchtbren tuin
Niet meen beschut Gij hebt dien tuin versteken
Van Uwe hulp, toen ít legen in kwam breken.
Gij hebt al ít rijk en rijkscieraad onteerd,
Den stoel des rijks ten aarde in ít stof verneÍrd.
Gij kont den tijd van ít eeuwig rijk de veÍren,
En Davids bloed, in stel van triomfeeren,
Staat schaamrood en verlegen om dees straf.
    Hoe lang, o Heer! keert Gij Uw aanschijn af
Van Gods geslacht, verbitterd zonder ende?
En is Uw toorne, als vier, in onze elende
Ontsteken, niet te blusschen? Ik beken
Mijn brosheid. Heer! Gij weet, wat stof ik ben.
Hoe ijdel en hoe kort is ís menschen leven
Een oogenblik, een band breed tijds gegeven
Wie leeft op dí aarde, en kan den dood ontgaan?
Wie zijne ziel van ís afgronds klauw ontslaan?
Waar is, o Heer! Uwe oude trouw, te voren
Bij eede ít zaad van David toegezworen?
Gedenk, o God! aan Uwer knechten smart
En smaad, en wat al vloeken ik in ít hart
Verkroppen moet, nu al het volk, verbasterd
Van Uwen dienst en kroon, Uw naam verlastert,
Ons, dag op dag, in ít aanschijn spuwt en bijt,
Den val van Uw gezalfden ons verwijt.

Geloofd zij God, den Hoogsten, tí allen dagen.
Het ga zoo ít wil; Zijn wil zal ons behagen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001