Joost van den Vondel (1587-1679)

LXXXIXe HARPZANG.

A. 1656

Domine, refugium factus es.

Handhaven van al wat wij hier aanschouwen!
Gij waart alleen ons toevlucht en betrouwen
    En hoop, van stam tot stam;
Eer Uwe hand verhief den bergen kruinen,
Den aardkloot vormde, eer t zeestrand met zijn duinen
    In t licht te voorschijn kwam,
Waart Gij en blijft de God van eeuwigheden,
Die eeuwig leeft. Versteek toch hier beneden
    Den laag vernerden mensch
Niet van Uw gunste en levendige stralen.
Gij riept: o mensch! bekeer u; blijf niet dwalen;
    Bekeer u naar Gods wensch!
Want duizend jaar zijn voor Uwe alziende oogen.
Gelijk de dag van gisrren, snel vervlogen.
    Des menschen jaren zijn
Bij niet geacht in t rekenen, zij duren
Niet langer, dan een schildwacht van drie uren,
    Bij nacht en maneschijn,
Gelijk het gras vroeg opgaat, slaat aan t kwijnen,
Vroeg bloeit, verwelkt, en s avonds moet verdwijnen,
    En afvalt en verdort.
Uw gramschap kon den draad des levens knakken,
Uw grimmigheid des menschen stand verzwakken,
    Die schichtig is en kort.
Gij stelde klaar ons boosheid voor Uwe oogen;
Ons tijdsbeloop, van wolk noch mist betogen,
    Stond voor Uw aangezicht,
Toen kortten meer en meer ons lange dagen;
Uw grimmigheid en aangetergd mishagen
    Verkortten s levens licht.
Wij slijten hier ons jaren met de zinnen,
Die ijdel mag en spinnewebben spinnen,
    Gelijk de spinnekop.
Hier duurt de tijd slechts vijfmaal veertien jaren,
De sterkste kan geen tachentig vergren:
    Dat is zijn hoogste top.
De korte tijd van t leven hier beneden,
Wat baart ze? Niet dan moeite en zwarigheden,
    En arbeid en verdriet.
In t eind begint de geest en moed te slappen,
En d ouderdom let beter op zijn stappen,
    Als hij zijn struikling ziet.
Wie kan, o Heer! Uw grimmigheid beseffen,
En reeknen al de plagen, die ons treffen,
    Als t menschdom U verstoort.
Laat ons Uw macht, gelijk Uw wraak, bevroeden;
Stort wijsheid uit, en giet ze in ons gemoeden,
    En leert ons voort en voort.
Vertoon ous wer Uw aanschijn, als voorhenen;
Verhoor Uw knechts en dienaars, die hier stenen.
    Zij vallen U te voet;
Dan zal Uw gunst ons vroeg verkwikking geven;
Wij zullen voor U juichen, al ons leven,
    Verheugd en welgemoed;
Dan zal de vreugd des tijds, dus laug gesleten
In druk en ramp, ons leeren ramp vergeten,
    En boeten druk en ramp.
Verlicht Uw knechts, en sterk hem en hun zonen,
In Uwen dienst, terwijl ze op aarde wonen
    In s levens korten damp.
De Godheid lichte ons allen met de stralen,
Die uit Zijn troon van boven nederdalen
    Op alles wat hier leeft.
O God! bestier ons werk naar Uw behagen;
Bestier ons werk en handwerk, t allen dagen,
    Eer ons de tijd begeeft.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001