Joost van den Vondel (1587-1679)

XCIe HARPZANG.

A. 1656

Bonum est confiteri Domino.

O Hoogste Majesteit!
Het voegt ons, U met zangen
En harpe en snaar t ontvangen.
Uw goedertierenheid,
Met s morgens eerste klaarheid,
Te zetten in haar kracht,
En van Uw trouwe en waarheid
Te zingen over nacht.

Het voegt ous, un de keel
Te stellen op tien snaren:
De keel en zang te paren
Met cytherspel en vel;
Want Uwe schepselingen
Verkwikken t hart, nooit mo.
Ik juich nu, onder t zingen,
U om Uw handwerk toe.

Hoe zijn Uw werken, Heer!
Zoo heerlijk ouder t zingen,
en Uw bespiegellugen,
Wat zijn ze een grondloos meer!
Wat brein kan die grondeeren!
Geen dwaze polst dien grond.
Geen dwaze kou ooit leeren
Hoe zulk een werk bestond.

Wij kunnen sp bevron,
Dat snoodaarts heerlijk bloeyen,
Gelijk men t gras ziet groeyen,
In beemden, frisch en groen.
Men ziet de booze opluiken,
Die slimme gangen gaan,
En zoet van bloesem ruiken,
En trotsch en heerlijk staan.

Wat baat hun dit, o Heer?
Hoe hoog en forsch zij brallen,
Zij klimmen om te vallen,
En storten eeuwig ner;
Maar Gij, o bron der dingen!
Oneindig n-en-al,
Besluit den ring der ringen,
Bepaald van maat noch tal.

Uw vijanden alom,
Uw vijanden bezwijken;
De machtigen en rijken,
Het onrechtvaardigdom
Verstrooyen en verdwijnen,
Verstuiven met der haast,
Hoe heerlijk zij ook schijnen,
Als hooi, daar t onweer blaast.

Gij zult met Uwe hand,
Gelijk eenhorens plegen
Te groeyen, door Gods zegen,
Mijn horen, vast geplant,
Verheffen, Mijne jaren
En oude in d eerste kracht
Genaderijk bewaren,
En sterken door Uw macht.

Mijne oogen zullen zien,
Hoe Mijne erfhaters krimpen;
Hoe al, die Mij beschimpen
Van zelf ten velde uit vlin.
Ik zal van verre hooren
Mijn vijands ondergang,
Die stout Mij had gezworen
Te zien in zijn bedwang.

t Rechtvaardig, zuiver hart
Zal, als de pallem, bloeyen,
Als Libans ceder groeyen,
En tieren zonder smart.
Al wat in t huis des Heeren,
Gods voorhof, staat geplant,
Zal bloeyen en vermeeren,
Gezegend door Zijn hand.

Zij groeyen machtig aan,
En hunne grijze haren
Nog welig vruchten baren,
Beschut van loof en blan.
Zij noemen God rechtvaardig,
Die elk het zijne geeft,
Of kroont of straft ze waardig,
Naar elk bedreven heeft.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001