Joost van den Vondel (1587-1679)

XCIIe HARPZANG.

A. 1656

Dominus regnavit decorem.

    De Heer der Heeren, hier benen,
    Is in Zijn heerschappij getren,
En zette, op Zijnen hoogen troon,
In volle staatsie zich ten toon,
    Bekleedde zich met Majesteit,
    En Koninklijke heerlijkheid,
En macht en kracht, in t eeuwig licht.
Hij heeft den aardbom, die niet zwicht.
    Noch wankt, noch schrankt, noch overhelt,
    Op Zijnen grondslag vast gesteld.
God zette tegens overlast
Den stoel van Zijn voogdije vast,
    In s werelds aanvang naar Zijn zin,
    Maar was in wezen vr t begin
Der wereld, en van eeuwigheid.
Die kent noch tijd, noch onderscheid
    Van eeuwen, jaren, maand en dag.
    O eenig opperste gezag!
Nadat Gij vlon en stroomen schiept,
En wateren, zoo diep verdiept,
    Verhief de zee zich, forsch en fel,
    Verhief de zee zich, hoog en snel,
Met heesch gedruisch op t woeste ruim:
De Zee verhief zich, en het schuim
    Begon te bruisen, slag opslag,
    En liet zich hooren, nacht en dag,
Met macht van watren overal.
O watersprong! O zee-geschal,
    Te wonderlijk, als zonder slot!
    Nog wonderlijker was de God
En Heer van zee en waterstroom,
Die alle golven houdt in toom,
    En, daar Hij in de hoogte zit,
    De baren dwingt met een gebit.
En twijfelt iemand aan die macht?
Zij wordt bezegeld in haar kracht.
    De mond en pen van Mozes tuigt,
    Hoe al dat zeegeweld zich buigt,
En zwicht voor Gods almogendheid,
Die d elementen schift en scheidt.
    Uw Kerk, o God! die heilig is,
    Als t voegt, deze erfgetuigenis,
Door wonderdan geopenbaard,
Eeuw in, eeuw uit, voor elk bewaart.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001